Wie deelt er mee (in de deeleconomie)?

uberWanneer je de voorstanders van de deeleconomie hoort, zou je de indruk krijgen dat de moderne samenleving afstand neemt van het kapitalisme van het privé-eigendom. Maar dat is niet wat de deeleconomie is, die heeft namelijk een extreem kapitalistische inslag. Want wie niet kan aanbieden wat anderen willen, heeft niets om te ruilen. En achter wat het ‘delen’ wordt genoemd, gaat een hard verdienmodel schuil met maar al te vaak agressieve marktpartijen en hoge winstmarges. In het kader van de deeleconomie wordt een utopistisch concept aangeprezen dat de spelregels van de markt volgt en tegelijkertijd een altruïstische claim doet. Maar van meerdere kanten merken critici op dat veel toepassingen van de deeleconomie het model van de volledige werkweek aantasten, de rechten van werknemers uithollen en het werk van vakbonden bemoeilijken.

Vooral ondernemingen die vraag en aanbod bij elkaar brengen profiteren van de deeleconomie, ze investeren weinig maar eigenen zich een groot deel van de omzet toe terwijl de verantwoording en het risico vaak bij degenen liggen die daadwerkelijk delen.

Het blijkt dat ons economisch systeem en ons denken over economie radicaal moeten veranderen – er is een revolutie van het denken nodig die tot een evolutie van de economie kan leiden. Er zijn enkele voorbeelden van ondernemingen waar dit het geval lijkt te zijn: daar begint men eigendom opnieuw te doordenken en eigendom als macht om te zetten in eigendom als verantwoording: eigendom dat eraan bijdraagt dat de mens niet meer een middel in de economie maar de zin van de economie vormt.
(uit een interview met Philipp Hummel, verbonden aan het Institut für Sozialorganik der Alanus Hochschule; https://agora42.de/tagung-sozialorganik-eigentum)

Driegonaal Januari 2017 (jrg.34, nr 3/4)

7887
Geen gekrabbel aan de oppervlak, geen gezweef in de waan van de week!

Een greep uit dit dubbelnummer:

- in de rubriek De Caleisdoscoop onder andere: Peter Schilinski over democratie; Thomas Brunner over subsidie en het vrije geestesleven, Ruud Thelosen over Rudolf Steiners ‘Economie’; Liesbeth Takken over haar sporen in de kunst, en meer

- en dan drie lange(re) artikelen:
Christopher Houghton Budd zet de reeks over ‘Graan & Goud’ voort
Jan Saal schrijft over waarde, geld en de drie geldfuncties
John Hogervorst beziet het basisinkomen vanuit het perspectief van de sociale driegeleding.

(Op de pagina Service & Contact vindt u onze kennismakingsaanbieding: het nieuwste nummer plus een ander recent nummer voor € 7,00)

Samenwerken in de economie

voorplat_economieLeiden, vanaf 8 februari
Verdiepingscursus Associatieve Economie:
Samenwerken in de economie
met John Hogervorst

Een wezenlijk uitgangspunt in een ‘gezonde economie’ is het samenwerken in plaats van het concurreren. Rudolf Steiner schetste nieuwe samenwerkingsverbanden, bestaande uit alle in de economie betrokken schakels. Deze ‘associaties’ zouden een verscheidenheid aan opgaven hebben: zij vormen het platform van overleg waar wordt onderzocht hoe de behoefte van de consument het beste vervuld kan worden, maar hebben ook taken op het gebied van prijsvorming, kredietverlening, geldschepping en ondersteuning van het zgn geestesleven.

In deze verdiepingscursus stellen we de associaties centraal en gaan we – aan de hand van teksten van Rudolf Steiner – een zo exact mogelijk beeld vormen van de associatie. Daarnaast zullen we verschillende bestaande samenwerkingsverbanden onderzoeken om begrip te krijgen voor wat in onze tijd op dit gebied mogelijk (en noodzakelijk) is.
NB: de deelnemers wordt gevraagd de bijeenkomsten thuis voor te bereiden, volgens literatuuropgave.
Data: woensdag 8 en 22 februari, 8 maart, van 13.30 tot 17.00 uur | Zie www.zonneboom.nl

Gratis geld bestaat niet

een paar voorproefjes uit
Gratis geld bestaat niet – Waarom het basisinkomen een sympathiek maar onverstandig idee is
(deze citaten zijn afkomstig uit een uitvoerig artikel van John Hogervorst dat verschijnt in het komend nummer)

“Naar verluidt viel, in de laatste maanden van de tweede wereldoorlog, het ‘Zweeds wittebrood’ op een gegeven moment uit de hemel. Hopelijk is dit brood vervolgens op een rechtvaardige wijze verdeeld. Na die tijd echter, zoals ook daarvoor, komt ‘het brood’ niet meer uit de hemel vallen.
Het invoeren van het basisinkomen is als het verdelen van het Zweedse wittebrood dat morgen, overmorgen en alle dagen daarna geacht wordt uit de hemel te komen vallen. “

“Het gesprek over het basisinkomen is een gesprek over de verdeling van welvaart. Dat gesprek zal blijken een schadelijke illusie te zijn wanneer het niet begint met het gesprek over het bepalen en verdelen van onze inzet ten behoeve van het sociale geheel (op te vatten als bijvoorbeeld ‘de gemeenschap’, ‘de samenleving’, ‘de wereld’). Die inzet leidt er immers uiteindelijk toe dat er iets te verdelen ís.”

“Het basisinkomen gedacht als een sociaal vangnet klinkt mooi – maar waarom zou er een vangnet moeten zijn voor degenen die goed zonder kunnen? Het basisinkomen als sociale springplank (als middel dat mensen in staat stelt zich te wijden aan wat zij essentieel vinden) is een weinig sociaal, eerder een zelfzuchtig concept. Op grond waarvan zou ik het recht moeten hebben mij te wijden aan wat ik essentieel vind – en op welke wijze draag ik dan bij aan de mogelijkheid dat ‘de ander’ van dit zelfde recht gebruikt maakt? Wie voorstander van het basisinkomen is én sociaal wil zijn, richtte zich op het realiseren van die sociale springplank voor anderen dan zichzelf (hij ontvangt overigens in dat geval al doende zijn eigen ontwikkeling op de koop toe) – en zal er niet in willen berusten dat anderen dag in dag uit werken voor zíjn sociale springplank.”

Een passend recht op arbeid zou er uit moeten bestaan dat de mens die zegt: “ik wil arbeid verrichten” op de kortst mogelijke termijn aan het werk kan op een manier die aansluit bij zijn capaciteiten (en dat werk is ‘arbeid’, dat wil zeggen een activiteit die leidt tot een resultaat waaraan anderen daadwerkelijk behoefte hebben die zij tot uitdrukking brengen in de vorm van een inkomen voor de werkende mens). “

“Een verbetering van de situatie waarin het werken voor veel mensen een moeizame, en op den duur zelfs ongezonde bezigheid is, komt tot stand door een bevrijding van het geestesleven en een verandering van de economische praktijk (die afgelezen zou kunnen worden aan de vraag of de juiste prijs gehanteerd wordt). Het basisinkomen biedt hierin niets dat tot een fundamentele oplossing leidt. Sterker nog, invoering van het basisinkomen binnen de bestaande structuren, zal de druk (méér productie, méér efficiency, méér rendement, minder kosten) op alle plaatsen waar gewerkt wordt alleen maar opvoeren.”

Drievoudige plaag (mis hem niet)

Driegonaal logoMorgen rond het middaguur versturen we onze nagenoeg maandelijkse Nieuwsbrief.  In de menubalk hier rechts kunt u zich inschrijven om deze Nieuwsbrief (gratis) te ontvangen.
In deze Nieuwsbrief wordt onder meer verklaard waarom Driegonaal ook wel als een drievoudige plaag kan worden gezien en zijn een paar (prikkelende?) voorproefjes opgenomen uit een ‘longread’ over het basisinkomen in het komende nummer.
Hier dan een voorproefje van zo’n voorproefje:
“Het gesprek over het basisinkomen is een gesprek over de verdeling van welvaart. Dat gesprek zal blijken een schadelijke illusie te zijn wanneer het niet begint met het gesprek over het bepalen en verdelen van onze inzet ten behoeve van het sociale geheel (op te vatten als bijvoorbeeld ‘de gemeenschap’, ‘de samenleving’, ‘de wereld’). Die inzet leidt er immers uiteindelijk toe dat er iets te verdelen ís.”

De sociale driegeleding als menselijke noodzaak

Het bestuderen van de geschiedenis is een bezigheid die ons veel kan leren over de mens van vandaag. Wanneer we proberen een beeld te vormen van het sociale leven ten tijde van het Oude Egypte, kunnen we vervolgens, door dat beeld in relatie te brengen tot het sociale leven van onze tijd, zien hoezeer dit sociale leven -en dus de mens- veranderd is. We kunnen op die manier bovendien een besef krijgen van de richting waarin de mens zich ontwikkelt.

Kenmerkend voor het Oude Egypte is de rol van de religie in het sociale leven:

“Religie was een levenswijze in Egypte en toch had het concept van een georganiseerde godsdienst voor de meeste mensen geen betekenis. Daar de goden volledig geïntegreerd waren in de Egyptische samenleving, temidden van hun volgelingen leefden, toezicht hielden op elk aspect van het dagelijks leven, werd er weinig bijgelovige eerbied getoond in hun verering. De goden waren niet alleen bij Egypte, ze wáren Egyptenaren.” 1)

Dit fragment is duidelijk, maar abstract. Het wil zoveel zeggen als: voor de Egyptenaren bestond er niet zoiets als wat wij nu religie noemen: hun gehele dagelijkse leven was religie (althans, datgene wat wij religie noemen). Alle handelingen stonden in het teken van de goden en daarmee was natuurlijk ook hun zieleleven grotendeels vervuld. Het ritme van de dag, het bereiden en gebruiken van de maaltijd, de tijd van zaaien of oogsten, de feesten – het wat, hoe wanneer en waarom van al deze dingen werd aangegeven door de goden en hun intermediairs: de priesters en vooral de farao, de priester-koning.

“De koning bekleedde de hoogste positie in de Egyptische maatschappij, zoals de deksteen van een piramide. De koning van Egypte was een vleesgeworden god, een priester en een krijger, die ver verheven was boven de zwoegende meerderheid van zijn onderdanen, die bereid waren voor hem te vechten en zo nodig te sterven. Ondanks zijn ontoegankelijkheid was de koning veel meer dan een soort heerser in naam, die alleen zuiver ceremoniële plichten had. Hij bevond zich in het centrum van alle Egyptische zaken, in feite, in heel reële zin, was hij Egypte.” 2)

De goden, plaatsvervangend de farao en de vele priesters, bepaalden het leven in Egypte, de individuele mens bestond in zekere zin nog niet, althans: hij liet zijn leven in vanzelfsprekendheid bepalen door de goden.

Anno 2004, om het contrast maar direct scherp te stellen, mag je als ouder al blij zijn als je je kind nog voorbij de puberteit een beetje mag helpen de weg in het leven te vinden, daarna (of daarvoor) gaat het zijn eigen weg. En dat moet ook zo zijn in onze tijd: de mens wil zijn eigen keuzes maken.

Dit proces van individualisering, dat gepaard gaat met het oplossen van alle traditionele sociale verbanden, werd door Rudolf Steiner beschreven in de sociologische basiswet:

“Aan het begin van haar culturele status streeft de mensheid naar het ontstaan van sociale instellingen; het belang van de enkeling wordt voorshands aan het belang van de instellingen opgeofferd; de verdere ontwikkeling leidt er evenwel toe, dat de enkeling zich uit de belangen van de instellingen bevrijdt en tot een vrije ontplooiing van zijn behoeften en van zijn capaciteiten komt.” 3)

Met name in de 20e eeuw, en in de westerse wereld, is dit proces van individualisering en het wegvallen van sociale verbanden in sneltreinvaart verlopen. Juist de westerse cultuur heeft daarvoor in de afgelopen vijf, zes eeuwen de randvoorwaarden geschapen (in de ontwikkeling van wetenschap, techniek, economie en vormgeving van het sociale leven) en met het verbreiden van de westerse cultuur over de gehele aardbol zal dit individualiseringsproces wereldwijd zijn loop nemen. En al gaat dit proces ook gepaard met individuele en sociale crisissen, met eenzaamheid, menselijke vervreemding en een ontketend egoïsme, het is een ontwikkeling die onomkeerbaar is en die, in het proces van de mensheidsontwikkeling, een noodzakelijke stap is op de weg van de mens naar vrijheid.

Tegelijkertijd ligt in dit gegeven de kernvraag van het moderne sociale leven: hoe vormen we een samenleving die enerzijds recht doet aan de ontwikkelingsruimte die de individuele mens vraagt, maar die anderzijds toch meer is dan een verzameling van op zichzelf staande individuen?

Het ‘gezonde verstand’ raadt ons de individuele mens en dat wat er in hem leeft als uitgangspunt te nemen voor een in sociaal opzicht gezonde samenleving. Wat kunnen we in dit licht aan de individuele mens waarnemen?

Ten eerste: de diepe behoefte om individuele vaardigheden te ontplooien en uit te oefenen. Ten tweede: de behoefte om, in de ernstigste zin van het woord, als mens tegemoetgetreden te worden. Ten derde: de dagelijkse terugkerende behoefte aan datgene wat de aarde voortbrengt en wat het fysieke bestaan van de mens mogelijk maakt.

De sociale driegeleding is niets meer of minder dan de richting waarin aan deze drie behoeften tegemoetgekomen kan worden.

Het ontplooien en uitoefenen van individuele vaardigheden vindt in het geheel van het sociale leven zijn basis in het geestesleven. Het is het gebied van onderwijs, kunst, wetenschap, religie. Vanuit de individuele mens gezien is het het gebied waar hij datgene wat in de ziel leeft ontwikkelt, tot uiting brengt, beoefent. Voorwaarde voor een geestesleven dat tot bloei kan komen is dat er vrijheid heerst. Datgene wat in de menselijke ziel leeft mag niet van buitenaf beperkt of gestuurd worden, het behoeft vrijheid om langs individuele weg te kunnen komen tot het ontdekken en beleven van het ware, het goede en het schone. De sociale betekenis van een vrij geestesleven is van een dimensie die we ons nauwelijks kunnen voorstellen: een bloeiend geestesleven is een schier onuitputtelijke bron van ontwikkeling en vernieuwing voor het geheel van de samenleving.

De behoefte aan datgene wat de aarde voortbrengt en wat het fysieke bestaan van de mens mogelijk maakt, vindt zijn antwoord in het economisch leven. Hier wordt gewerkt aan de vervulling van deze behoefte  die, in een gezonde economie, beginpunt van alle economische bedrijvigheid is. Op basis van wederkerigheid werkt de ene mens aan datgene waaraan de ander behoefte heeft. Wanneer het vraagstuk van de (aard en mate van) arbeid en het eigendomsvraagstuk (het scheppen van een gebruiksrecht in plaats van een eigendomsrecht voor grond en kapitaalsgoederen) niet binnen het economisch leven maar daarbuiten, in het rechtsleven, geregeld worden zijn de voorwaarden geschapen voor een economie waarin de dingen de ‘juiste prijs’ dragen, dat wil zeggen dat een ieder die aan een waar heeft meegewerkt als tegenpresatie voor het resultaat van zijn arbeid voldoende ontvangt om in zijn behoeften te voorzien. Zo kan het economisch leven het gebied worden waarin broederschap verwerkelijkt wordt.

De diepe behoefte om als mens tegemoetgetreden te worden kan in het rechtsleven zijn antwoord vinden. Voorbij alles dat ons als individu kleurt en kenmerkt ligt ons diepere mens-zijn, dat we ook in alle andere mensen kunnen herkennen. Wat komt de mens toe louter op basis van zijn mens-zijn? Hoe wil ik dat de andere mens, krachtens zijn mens-zijn, behandeld wordt – zoals ook ikzelf? Daar liggen de diepere vragen van het rechtsleven. Datgene wat uit deze vragen voortvloeit geeft ook de grenzen aan van datgene waarover het rechtsleven zich kan buigen, namelijk over datgene wat alle mensen krachtens hun mens-zijn aangaat. In onze tijd wil de mens actief deelnemen aan het proces van het vormgeven van het sociale leven, inclusief de wetten, regels en afspraken. Daarom is gelijkheid in het rechtsleven noodzaak: gelijkheid in het vormen van wetten en regels, gelijkheid ook in de uitwerking van wetten en regels, die in gelijke gevallen in gelijke mate van gelding zijn. Het individueel-menselijke speelt dan ook in het rechtsleven geen rol (dat is thuis in het geestesleven), slechts het algemeen-menselijke.

In het geheel van dit maatschappelijke organisme heeft het economisch leven tot taak te voorzien in de fysieke behoeften van de mens, het geestesleven levert het geheel van het maatschapelijk organisme het zaad voor bloei en ontwikkeling, het rechtsleven waarborgt de vrijheid van het geestesleven, houdt anderzijds het economisch leven ‘op zijn plaats’ en is uitdrukking van (de mate van) menselijkheid van een sociaal organisme. Zo kunnen we de sociale driegeleding herkennen als een, in de diepste zin, menselijke noodzaak.

1)       Hilary Wilson, Het volk van de farao’s. Het dagelijks leven in het oude Egypte, Baarn 1998, (86)
2)       Ibid. (196)
3)       Vertaling ontleend aan De sociale impuls van de antroposofie, Dieter Brüll, Zeist 1985 (26)

Dit artikel van John Hogervorst verscheen oorspronkelijk in Driegonaal, jrg.27/nr.2

Berichten uit de vooruitgang

trumpDe verkiezingsoverwinning van Donald Trump heeft ook in Nederland heel wat stof doen opwaaien. Weldenkend Nederland, althans degenen die zich daartoe scharen, ‘hadden het niet zien aankomen’ en zijn verbijsterd over wat zij zien als domheid of woede van de Amerikaanse kiezer. Braaf wordt alom geroepen dat wij ook in Nederland niet zomaar voorbij kunnen gaan aan de beleving van honderdduizenden, zo niet miljoenen kiezers (of liever: kiesgerechtigden) die zich niet gehoord ‘voelen’ door ‘de politiek’.
Deze, en andere aan de overwinning van Trump gelinkte gedachten, inzichten of hersenspinsels, staan grotendeels in het teken van de aanname dat de verkiezing van Trump uitdrukking is van de wil om terug-in-de-tijd te bewegen en de toekomst op afstand te houden.
Terug naar de tijd dat de Amerikaanse industrie nog niet was vertrokken naar lagelonenlanden.
Terug naar de tijd dat Amerika nog niet te maken had met een permanente instroom van voornamelijk Mexicanen en andere bewoners van Midden- of Zuid-Amerika.
Terug naar een tijd waarin de kiezer het idee had dat zijn stem ertoe deed.

Maar… als het nou eens anders zou zijn?

Want zou de Amerikaanse kiezer er echt van overtuigd zijn dat zijn stem op Trump betekent dat er nu beter naar hem geluisterd wordt? Zou de Trump-kiezer werkelijk verwachten dat Trump zijn bonte stoet aan verkiezingsbeloften en – dreigementen gaat waar maken?

Misschien is het zo dat de positie en het perspectief van waaruit wij de overwinning van Trump bezien ondeugdelijk is en gekleurd door voorstellingen die niet heel veel verbinding hebben met de werkelijkheid.
Misschien ook, is het zo dat ‘de Amerikaanse kiezer’ (de Trump-stemmer incluis) niet zo dom is als wij menen. Waarom zou hij zo dom zijn, hoe weten dat hij redeloos is en waarover is hij dan wel zo ‘woedend’?

Wie wil denken over het sociale leven zal – gesteld dat het de bedoeling is dat dit denken de werkelijkheid raakt – in zijn overwegingen de sociologische basiswet moeten ‘meedenken’. Anders gezegd: hij zal zich terdege moeten realiseren dat de mens in steeds sterkere mate individu is en zijn leven op basis van zijn individuele ‘pakket’ aan oordelen, inzichten, gevoelens en voorkeuren wil inrichten.
Dat betekent dat al het geredeneer waarin mensen in groepen worden bijeengeveegd (Latino’s, vrouwen, woedende witte mannen, Afro-Amerikanen, …) niets anders is dan borrelpraat of geneuzel in de ivoren toren.
De ‘emancipatie van het individu’ (al in de 19e eeuw door Rudolf Steiner omschreven als de bodem waarop het moderne sociale leven zich afspeelt) brengt ook met zich mee dat de moderne mens niet aan de kant wil staan als er besluiten tot stand komen die zijn levenswerkelijkheid raken. Hij wil daarover meedenken, meepraten en mee besluiten.

Dat de moderne mens nauwelijks nog warm loopt voor de huidige democratische praktijk is niet zo gek. Je hoeft niet dom, redeloos of woedend te zijn om te ervaren hoe flinterdun de moderne democratische werkelijkheid is. De democratische structuren zoals we die sinds enkele eeuwen -in een deel van de wereld- hanteren, zijn achterhaald. De moderne mens is daaraan voorbij en ervaart dat zijn behoefte aan mondige participatie in de bestaande democratische structuren geen plaats vindt.

De verkiezing van Trump is het signaal dat de democratie een stap verder ontwikkeld moet worden. Daarnaar leeft een oprecht en diepgeworteld verlangen – in ieder individu. En het is van een absolute urgentie om de vermolmde democratische praktijk aan dit eigentijdse verlangen aan te passen.

Leve de vooruitgang!
(jh)

Nieuwsbrief

De Driegonaal-nieuwsbrief verschijnt onregelmatig. Registreer hier!



Sociale netwerken