De bedelaar en zijn brood

Volgens Thomas van Aquino had een hongerige bedelaar het recht een brood te stelen. Wat hem niet gegeven werd mocht hij nemen. Met het voortschrijden van de tijd en de opkomst van de moderne beschaving lijken we ver verwijderd te zijn geraakt van het elementaire rechtsgevoel waarop de heilige Thomas zijn uitspraak mogelijk baseerde.

In onze tijd kennen we allerlei wetten waarvan we eigenlijk moeten zeggen: die kunnen onmogelijk gefundeerd zijn op enig elementair rechtsgevoel. Het zijn wetten die het legaal maken dat dit rechtsgevoel met voeten getreden wordt.

Oxfam Novib liet in de afgelopen dagen weer eens zien hoe rijken steeds rijker worden. Terwijl bijna de helft van de wereldbevolking moet rondkomen van vijf dollar of minder per dag, is het aantal miljardairs  in de afgelopen tien jaar verdubbeld tot 2000. Hun rijkdom is letterlijk en figuurlijk onvoorstelbaar. – Wat moet je je erbij voorstellen dat je (multi)miljardair bent? Hoe zit je als mens in elkaar als je aan je miljoenen nog niet genoeg hebt? Hoe arm kun je zijn wanneer je meent dat een dergelijke rijkdom jou toekomt?

Daarom: komt u binnenkort een miljardair tegen, geef hem dan een brood.

Drs. Teentjes

Meemaken

12 januari – Nijmegen
Associatieve economie: visie en praktijk

De vrijemarkteconomie gebaseerd op winst en concurrentie uit de 19e en 20e eeuw werkt niet meer. Zij kan geen antwoord bieden op de problemen van deze tijd: armoede en terugkerende financiële crises. Deze bijeenkomst staat in het teken van de economie van de toekomst.
Na een inleiding over de associatieve economie vertellen Luuk Humblet, Mia Stockman (mogelijk in haar plaats: John Hogervorst) en Ruud Janse over hun praktijkervaringen.
In hun winkel De Blauwe Bloem in Gent werken Luuk Humblet en Mia Stockman al 30 jaar op basis van de associatieve economie, uitgaande van de sociale hoofdwet. Ruud Janse is financial manager bij Odin, waar ook al sinds tientallen jaren ervaringen met een nieuwe economie worden opgedaan.
13.00-17.00u / Karel de Grote College
Info & aanmelden: 06 1094 8532 of jap.schutt@gmail.com

16 januari – Culemborg
Grondgedachten van de sociale driegeleding / Joris Boermans

Op deze avond zullen we ingaan op de ontstaansgeschiedenis en de vraag naar de betekenis van de impuls van de sociale driegeleding voor deze tijd.
We zullen proberen grip te krijgen op de grondgedachten van deze drieledigheid van het sociale organisme en een relatie leggen met de menskunde. Van groot belang zijn de onderlinge relaties tussen de drie geledingen die we kennen als het vrije geestesleven, het rechtsleven en het economische leven.
20.00-22.00u / Het Pompgebouw
Meer info: 06 4381 7348

17 januari – Leiden
De toekomst van Europa / Harrie Salman
Onze welvaart is gebaseerd op onbetaalde rekeningen: we betalen te weinig voor wat wij kopen, we plunderen de aarde en de overheid maakt schulden. Binnen de Westerse wereldorde is dit lang mogelijk geweest, maar we worden nu geconfronteerd met de gevolgen daarvan. Jonge mensen wijzen ons erop dat we de problemen moeten oplossen die we door een gebrek aan bewustzijn zelf veroorzaken.
Hoe zijn we in de huidige toestand beland en wat doen mensen wereldwijd om die te veranderen?
Harrie Salman pleit voor een Europa dat een eigen weg gaat tussen het ‘ieder voor zich’-individualisme van Amerika en het collectivisme van Oost-Azië. Vanuit deze positie kan Europa een noodzakelijke inbreng hebben bij het oplossen van de brandende vraagstukken van onze tijd.
20.00-22.00u / De Zonneboom
Meer info & aanmelden: www.zonneboom.nl

(Vooraankondiging)
9 maart – Driebergen
De Eigendomsconferentie
Al enkele tientallen jaren werken de bij Stichting Sleipnir aangesloten ondernemingen samen op basis van het principe dat zij geen privébezit zijn of kunnen worden. Het gebruikelijke eigendomsrecht is hier in de praktijk vervangen door een ‘gebruiksrecht’: de aangesloten ondernemers werken in en met ‘hun’ onderneming zolang zij over de wil en de passende vaardigheden beschikken en worden t.z.t. opgevolgd door anderen die het stokje overnemen – zonder dat het bedrijf verkocht wordt. Een kring van ervaren ondernemers draagt zo zorg voor de continuïteit van de onderneming.

De Sleipnir Coöperatie organiseert op 9 maart 2020 de Eigendomsconferentie. Op basis van de langdurige en veelkleurige ervaringen die in de kring van aangesloten ondernemingen is opgedaan, staan tijdens deze conferentie verschillende aspecten van het eigendomsvraagstuk centraal. Wat betekent een andere vorm van eigendom voor de financiering van een onderneming; wat gebeurt er met de winst; hoe gaat het in opvolgingssituaties; hoe werk je samen met andere ondernemingen; wat betekent het voor de organisatie en het samenwerken binnen de onderneming, …?

Meer info: www.eigendomsconferentie.nl

Nieuwjaarsgedachten

“(… ) Wat onze tijd nodig heeft, is dat we het geestesleven volledig ernstig nemen. Hierover heb ik u vandaag (…) op Nieuwjaarsdag nog eens willen vertellen en ik heb als diepe wens dat in onze kringen een Nieuwjaarswens wordt opgenomen die ieder slechts zelf ter hand kan nemen: dat in de zielen en harten van onze vrienden de ogen geopend worden voor datgene wat zo nodig is, voor datgene wat alleen en uitsluitend vanuit de geest afkomstig is en de mensheid verder helpen kan.
Uit de regelingen of organisaties die de samenleving kent, kan niets gevormd worden dat een gezonde bijdrage voor de toekomst biedt. In de ontwikkeling van de mensheid moet iets nieuws worden binnen gebracht. Dat moeten we beseffen. Dit besef is de meest waardige nieuwjaarsgedachte die vandaag, in het begin van het jaar 1920, in uw hart kan ontstaan. Dit nieuwe jaar zal belangrijke beslissingen brengen wanneer er mensen zullen zijn die datgene wat voor de mensheid het noodzakelijke is (…) doorzien. We moeten inzien dat het nieuwe jaar nood en ellende zal brengen wanneer niet opgepakt wordt wat werkelijk nodig is en wanneer slechts de mensen die met het oude en bestaande verder willen, de toon aangeven.”
[Rudolf Steiner in een voordracht van 1 januari 1920, GA 195, vertaling jh]

Vasthouden aan het oude en bestaande…?

Wie houdt er níet vast aan het bestaande?
De politiek lijkt bevolkt door politici die zich vooral laten leiden door de belangen van lobbymachten, hun partij en hun persoonlijke carrière. Het bedrijfsleven is nagenoeg stelselmatig bezig de eigen positie eindeloos uit te bouwen en de winst te maximaliseren – en zet daartoe alles in om de consument in een steeds sterkere greep te nemen. En het geestesleven – de wereld van o.a. onderwijs, kunst, wetenschap en zorg – is gekneveld door de economie, of danst als een oude beer naar de pijpen van de subsidiegever.
Dit wordt hier niet gesignaleerd om eens lekker uit te halen naar ‘de anderen’ die alles verkeerd doen. Want de vraag laat zich stellen in hoeverre wij zelf niet ook aan het bestaande vastkleven. In onze hang naar gemak en comfort; onze behoefte aan zekerheid; onze weerzin om in beweging te komen; de angst om los te laten wat wij kennen; ons gebrek aan vertrouwen in ‘de anderen’, in hún goede wil en gezonde inzicht…

Het is anno 2020 niet wezenlijk anders dan Rudolf Steiner 100 jaar geleden in bovenstaande woorden uitsprak: de toon wordt aangegeven door “de mensen die met het oude en bestaande verder willen”.

Wellicht denkt u nu aan andere geluiden die ook klinken en die de boventoon ‘verstoren’ of zelfs nieuwe tonen laten horen. Het maatschappelijk protest tegen het bestaande maakt zich immers luidruchtig kenbaar? Tja. Maar de geluiden van de afgelopen maanden van boeren en bouwers zijn steunbetuiging aan het behoud van het bestaande. Mogelijk dat het verzet van leerkrachten, verpleegkundigen of jeugdzorgwerkers deels ook de behoefte aan vernieuwing in zich sluiten. Mij bekruipt echter het bange vermoeden dat als de overheid maar voldoend financiële middelen ter beschikking stelt – voor loonsverhoging, verbetering van arbeidsvoorwaarden, verhoging van de capaciteit – elke echte vernieuwing weer kundig weggemoffeld wordt.

De radicale roep van (vooral) jongeren om het behoud van de aarde en drastische ingrepen ter wille van het klimaat – zal die uitmonden in een ‘afscheid van het bestaande’? Wanneer wij onder dat laatste niet het einde van de menselijke beschaving verstaan, maar een werkelijke systeemverandering, lijkt mij de kans groter dat de huidige problemen met het milieu niet zozeer worden opgelost maar wel beheersbaar gemaakt door technologie. En dat zou betekenen dat het bestaande zich gewoon voortzet: die inzet van technologie zal gewoon big business worden en naadloos aansluiten op het huidige economische bestel.

“Uit de regelingen of organisaties die de samenleving kent, kan niets gevormd worden dat een gezonde bijdrage voor de toekomst biedt.” Wat zou het fijn zijn wanneer Rudolf Steiner zich hierin had vergist, of wanneer het nu anders zou zijn.

Zodoende zit er niets anders op dan “dat we het geestesleven volledig ernstig nemen” en overgaan tot wat “ieder slechts zelf ter hand kan nemen”.  Het vrije geestesleven, de broedplaats voor alles dat écht nieuw is en werkelijke vooruitgang zou kunnen betekenen, zal pas een maatschappelijke realiteit zijn wanneer het eerst in óns denken geboren wordt en opgroeit. Nieuw denken!
De oerbeelden van vrijheid, gelijkheid en broederschap zijn nog grotendeels on-gedacht. Zij wachten erop door ons in ons denken opgenomen en in beweging gebracht te worden, zozeer dat zij in ons bewustzijn tot levens-vanzelfsprekendheid worden.
Dit waar te maken in ons denken, en gevolg geven aan de handelingen die daaruit voort zouden komen is het meest vruchtbare dat wij nu kunnen doen.
(John Hogervorst)

Lobbycratie

Lobbycratie, rechten en belangen

Het deze zomer tot een breder publiek doorgedrongen woord ‘lobbycratie’ is een fijne aanvulling voor wie de huidige maatschappelijke toestand beknopt wil beschrijven. Zou je, laten we zeggen, tien woorden mogen gebruiken om die toestand te karakteriseren, dan is de term lobbycratie een rake typering voor wat in de sociale driegeleding het rechtsleven wordt genoemd.
In het gebied van politiek en democratie zien we immers hoe niet zozeer de ‘demos’ (het volk) maar de ‘lobby’ de sterkste kracht is in het tot stand brengen, uitwerken en naleven van wetten en regels. Lobbyisten belagen politiek en ambtenarij – de ‘lobby-industrie’ is uitgegroeid tot een volwassen bedrijfstak.

Het verschijnsel lobbyisme is natuurlijk al lang bekend en feitelijk geaccepteerd. Lobbyen is normaal, wie iets gedaan wil krijgen is gek wanneer hij daarvoor niet lobbyt. Toch roept deze gang van zaken wel een vraag op, namelijk: maken we in onze democratie eigenlijk nog wel een onderscheid tussen rechten en belangen? Want rechten en belangen zijn twee verschillende zaken.
Het recht van de ene mens is per definitie ook dat van de andere mens. Dat geldt voor belangen niet. Daar is het eerder andersom: het belang van de één is nagenoeg in alle gevallen strijdig met dat van enig ander mens. (En dáárom is het van belang dat er een ‘fundament’ van recht ten grondslag ligt aan alle politieke besluitvorming).
Welbeschouwd heeft dat wat hier ‘recht’ wordt genoemd het karakter van een ‘algemeen belang’: het handelt over dat wat alle mensen aangaat; waarover wij ons allemaal een oordeel kunnen vormen; waarvoor wij dus samen kunnen besluiten – en waarvoor niemand hoeft te lobbyen.

Kort geleden werd in het nieuws gesproken over de plannen om een nieuwe boerenpartij op te richten: veel boeren voelen hun belangen niet meer voldoende behartigd door bestaande politieke partijen. Inmiddels kennen we partijen die zich specifiek richten op de belangen van dieren, van ouderen, van ondernemers. Andere partijen richten zich op de belangen van mensen met een niet-Nederlandse afkomst, of juist weer op die van mensen die zich door laatstgenoemden in het gedrang voelen.
Je zou haast denken dat het tijd wordt voor een partij die zich sterk maakt voor mensen, een partij die niets anders beoogt dan het scheppen van recht voor mensen: rechten die de in de grondwet geformuleerde algemene (mensen)rechten uitwerken, instrumenteel maken en waarborgen.
Die denkbeeldige partij wil dan niets anders dan ons democratisch stelsel een wezenlijke en urgent noodzakelijke upgrade geven: in de democratie zou het moeten gaan om rechten die ieder mens, ongeacht zijn belangen, toekomen.

Belangen van economische aard (van bedrijven, bedrijfstakken) horen niet in het gebied van het recht maar in dat van de economie behartigd te worden, daar worden zij ‘uitgebalanceerd’ ten opzichte van de belangen van andere (groepen) betrokkenen.
Belangen van wereldbeschouwelijke, religieuze, ideologische of kunstzinnige aard profileren zich in het geestesleven: daar heeft ieder de ruimte zich te laten zien en de gelegenheid gehoor te vinden.

In het rechtsleven wordt permanent aan een stelsel van rechten gevormd, rechten die vrij van deelbelangen tot stand moeten komen. Wanneer het, bijvoorbeeld, gaat om recht op onderwijs, recht op een oudedagsvoorziening, recht op woonruimte, recht op werk, recht op gezondheidszorg, recht op een gezond leefmilieu (allemaal zaken die ieder mens aangaan), gaat het om rechten waarvoor specifieke belangen (van onderneming A, organisatie B, bedrijfstak C, beroepsgroep D) moeten wijken.
Want wat betreft de vraagstukken die in het rechtsleven thuis horen, is het geestesleven relevant als bron van gezichtspunten en inzichten die het rechtsgevoel en rechtsbewustzijn van de individuele, in het rechtsleven mee-besluitende burger kunnen verrijken; en is het economisch leven relevant als de bron van geld (waarde) die de in het rechtsleven gevormde rechten op een of andere wijze materieel mogelijk zal moeten maken.
De huidige lobby-praktijk is een belemmering voor de noodzakelijke verdere ontwikkeling van de democratie en een aantasting van de mondigheid van de individuele burger.
(John Hogervorst)
Dit artikel verscheen in Driegonaal, jrg,35, nr.3/4

100 Jaar Vrije School

Op 7 september 1919 opende de Waldorfschule in Stuttgart haar deuren. Op dit moment bestaan er wereldwijd bijna 1200 vrijescholen en de laatste jaren groeit het aantal leerlingen van de vrijescholen in Nederland flink. Op verschillende plekken in binnen- en buitenland werd feest gevierd.

In de marge van al die feestelijkheid – en omdat het naar gevreesd moet worden elders niet zal gebeuren –  moeten we in Driegonaal dan maar even een paar vragen neerleggen, die niet bedoeld zijn om het feestje te bederven maar om de impuls van de Waldorfschool (weer) in het bewustzijn te roepen:
– wie weet nog dat de inzet voor de sociale driegeleding de bodem is waarop de Waldorfschule kon groeien?
– wie weet nog dat het ‘vrije’ (van de Vrije School en/of van de vrijeschool) wil zeggen: vrij van de bemoeienis van overheid en economie?
– wie weet nog dat het voor Rudolf Steiner onontbeerlijk was dat de leerkrachten zélf de school zouden besturen – opdat het besturen direct zou aansluiten bij het werk met en voor de kinderen (en niet andersom)?
– wie weet nog dat Rudolf Steiner uitsprak dat de leerlingen van de Waldorfschule de beginselen van de sociale driegeleding net zo onder de knie zouden moeten hebben als optellen-aftrekken-delen-vermenigvuldigen?
– wie beseft dat uit dit alles voortkomt dat het de bedoeling van het (vrijeschool-)onderwijs is dat niet de leerlingen worden toegerust om in de bestaande samenleving aan te sluiten maar dat zij zó worden toegerust dat zij een nieuwe samenleving kunnen vormen?

Bemoedigend: in 1923 werd in Den Haag de eerste Vrije School in Nederland opgericht. Deze begon met 10 leerlingen in een huiskamer in Den Haag. Op dit moment bestaat er weer een handjevol Vrije Scholen in Nederland die de vrijheid opzoeken om recht te kunnen doen aan waar de leerlingen om vragen. Zonder subsidie, loondienstverbanden of pensioenvoorziening – maar met de gedrevenheid die er een eeuw geleden ook moet zijn geweest.

Dat zijn:
in Alteveer (Dr): Brede Basisschool De Verwondering (www.bbsdewondering.nl)
in Bergen: Boerderijschool HOOI (www.boerderijschoolhooi.nl)
in Breda: Staatsvrije School Anfortas (www.anfortas.nl)
in Culemborg: De Werfklas (www.werfklas.nl)
in Eindhoven: Vrije School Het Vasteland (www.hetvasteland.school)
in Oosterwold: Oosterwoldschool Sofia (www.oosterwoldschoolsofia.nl)
in Vorden: De Hofakker (www.schooldehofakker.nl)
in Zutphen: Vrije Initiatiefschool Talander (www.vrijeschooltalander.nl)

Grond is geen koopwaar

15 t/m 17 november
Emmen (Wilhelmsoord)
Antroposofische sociale wetenschap: inzichten en praktijk

Een studie- en werkweekend onder leiding van Heidjer Reetz op biologisch-dynamische boerderij ’t Leeuweriksveld bij Emmen. Georganiseerd door stichting Eurosophia (van de Europahuizen en Europavrienden) i.s.m. Wouter en Kathinka Kamphuis van ’t Leeuweriksveld en Noor Bunnik. Voor deze ontmoeting verwachten we deelnemers uit geheel Europa. Voerta(a)l(en): Duits, Engels, Nederlands

Is onze grond te koop? De grond waarop we staan, leven en werken? De aarde zelf, die niet door mensen gemaakt is, maar die ons geschonken is?

Nederlandse landbouwgrond is veel te duur voor een biologische (dynamische) boer terwijl juist kringloopbedrijven de toekomst hebben. De grond is ook te duur voor een modale woningzoekende. Moet grond eigenlijk wel verhandeld worden?

Deze hoogst actuele problematiek willen wij vanuit de antroposofische sociale wetenschap belichten. Praktijkvoorbeelden laten mogelijkheden zien.

Meer informatie:
zie de Agenda op www.antrovista.com

Hoe bevrijden we de landbouw…

uit de wurggreep van de economie?

Een artikel van Mouringh Boeke uit een oud nummer van Driegonaal (voorjaar 1992). Die oude nummers blijken ook over actuele vraagstukken nog wezenlijke inhoud te bevatten…

In onze huidige samenleving speelt het economische leven de hoofdrol met daarin als kerngebeuren de verkoop van waren, wat dan plaats vindt door waren tegen geld – als representant van andere waren – te ruilen. Daarbij is ons economisch leven op concurrentie afgestemd – dat wil zeggen dat ten koste van de gehele economie een voortdurende strijd bestaat tussen deelactiviteiten en individuele bedrijven en mensen. Voor de economie als geheel betekent dit een permanente gigantische verspilling van krachten.

Ook landbouwproducten zijn waren, net zo goed als geestelijke prestaties. Het is echter zeer wel mogelijk en ook noodzakelijk te onderzoeken of er geen wezenlijk onderscheid bestaat tussen een industrieel product, een landbouwproduct en een geestelijke prestatie. Alle drie dienen zij als waar een geldelijke tegenprestatie te hebben, doch het grote verschil ligt in de rol van de economie bij het tot stand komen van de waar als zodanig. Bij de eerste groep – industriële producten: bijvoorbeeld een kachel – geldt dat zij geheel naar de wensen van de gebruikers gemaakt kunnen worden, en, willen ze voldoen, ook zo gemaakt moeten worden. Bij de tweede groep – geestelijke prestaties: bijvoorbeeld dat het onderwijs elk jaar zoveel mensen aflevert met bepaalde vermogens en vaardigheden – is dat reeds totaal anders. De vraag namelijk wat binnen het onderwijs ontwikkeld moet worden, mag niet door wensen omtrent het “eindproduct” bepaald worden. De mens is geen gebruiksvoorwerp, al wordt hij nu, juist ook in het onderwijs, wel zo beschouwd. En de vraag wat in het onderwijs gebeuren moet is een vraag waarin geen enkele inmenging vanuit de economie toelaatbaar is. De grote vraag is nu of dat niet voor landbouwproducten hetzelfde geldt; namelijk dat ze pas als waar gezien mogen worden nadat ze geproduceerd zijn. De gehele situatie nu toont aan dat dit zo is: landbouw is primair het verzorgen van de aarde en dat dit ook nog producten oplevert is een (gelukkige) bijkomstigheid. Landbouw mag niet door de economie beïnvloed worden; wel moeten de producten geconsumeerd en daartoe gedistribueerd worden. Dit betekent dat de consument af moet wachten wat de landbouw voortbrengt, zoals de gemeenschap ook af moet wachten welke vermogens en vaardigheden in het onderwijs ontwikkeld worden die de nieuwe volwassenen meebrengen. En moet beseffen dat daar niets kan worden afgedwongen zonder het gehele proces geweld aan te doen.

Het economisch leven nader beschouwd

Het huidige economische leven berust op concurrentie en op zogenaamde winstmaximalisatie en wordt door degenen die erin staan beschreven als een slagveld. Bij de industriële productie geldt dat de kapitaalgoederen – de productiemiddelen – een zeer begrensde levensduur hebben: in betrekkelijk korte tijd zijn investeringen technisch achterhaald en moeten de productiemiddelen door nieuwe vervangen worden. Een productiemiddel wordt dus kort intensief gebruikt en dan: weg ermee! Ze zijn tenslotte ook door mensen gemaakt en vervangbaar. Waar de landbouw van het economisch leven slechts een zeer klein deel uitmaakt en niet vanuit een andere denkwijze wordt beoefend, is het onvermijdelijk dat de landbouw steeds meer industrie wordt en de aarde, het productiemiddel dat reeds eeuwenoud is en nog eeuwen mee moet,  wordt uitgebuit. Roofbouw is thans systeem. Zo zeer zelfs dat steeds duidelijker wordt dat de aarde als zodanig gevaar loopt verwoest te worden en dat ingrijpen noodzakelijk is. Dat kan alleen vanuit zuivere begrippen. De begrippen landbouw en alternatieve landbouw zijn dat niet. Wat thans landbouw heet zou consequent “pseudo-landbouw” of “industriële roofbouw ter verkrijging van pseudo-voedsel” genoemd moeten worden; wat thans alternatieve landbouw genoemd wordt zal ik eenvoudig landbouw noemen. Daarmee begint namelijk pas (weer) wat werkelijke landbouw is. De eerste vraag is dan: hoe roepen wij een situatie in het leven die de boer in staat stelt landbouwer te worden; dat wil zeggen dat hij landbouw kan beoefenen zonder enige druk vanuit de economie. Met als uitsluitende maatstaf wat de aarde aan bewerking vraagt. De tweede vraag is dan hoe wij ons de handel in landbouwproducten kunnen voorstellen binnen de huidige economie? Het is per slot duidelijk dat alle landbouwproducten geconsumeerd moeten kunnen worden wanneer er ook maar ergens een vraag naar is.

Landbouwers

Bij boeren hoort een erf en grond waarvoor de boer verantwoordelijk is en waarover hij zeggenschap heeft. Die zeggenschap mag niet berusten op het klassieke particuliere eigendomsrecht. Integendeel: de (bloot)eigendom van grond – van alle landbouwgrond – zou geneutraliseerd moeten worden; dat wil zeggen dat grond niet verkocht of bezwaard kan worden en in “eigendom” is bij een instelling die er zelf niet mee kan/mag werken, die er uitsluitend op kan toezien en waarborgt dat de juiste procedures gevolgd worden bij het toekennen van grond aan boeren. Men kan zich één of meer stichtingen voorstellen die in de statuten opgenomen hebben dat de grond plus erf en boerderij aan boeren ter beschikking wordt gesteld (vrij van pacht) waarbij de grond ogenblikkelijk terug genomen wordt wanneer kunstmest of bestrijdingsmiddelen gebruikt worden, niet in de eigen mestbehoefte voorzien wordt of monoculturen ontstaan. Houdt iemand zich daar niet aan dan wordt het vertrouwen opgezegd. Hoe komt de boer aan zeggenschap op grond van vertrouwen? Het mogen beslist niet de beheerders van de grond zijn (de stichtingsbesturen of de ambtelijke instellingen), die bepalen wie als boer een stuk land toegewezen krijgt. Een onafhankelijk orgaan (of meerdere regionale onafhankelijke organen), bestaande uit boeren die allen om hun vakkennis geacht worden, dient daarover te beslissen. Een dergelijk orgaan van vrije boeren kan op persoonlijke titel met gezag oordelen over de capaciteiten van de gegadigden en kan beslissingen nemen. Bij gebleken onvermogen of gebrek aan inzet kan datzelfde orgaan ook besluiten iemand “zijn” grond en erf weer te ontzeggen. Is het dan niet terecht zowel ten opzichte van de aarde zelf als ten aanzien van de mensengemeenschap dat grond alleen aan diegenen toevertrouwd wordt die zich daartoe waardig tonen? Bij dit alles kan men zich goed voorstellen dat een boer die ermee wil ophouden zelf zijn opvolgers aanwijst; hij is immers zelf ook ter zake kundig en zal “zijn” bedrijf een goed hart toedragen en graag in goede handen zien. In een dergelijk geval zal hij ook een eigen zoon of dochter kunnen aanwijzen; bij de genoemde door de stichting of staat gestelde voorwaarden en bij de competentie van het genoemde beroepsorgaan en onder de nog te beschrijven andere voorwaarden zullen daardoor geen misbruik of wantoestanden ontstaan.

Tot zover hebben we wel de grond veilig gesteld maar nog geenszins de boer verlost uit de klauwen van de economie; in tegendeel: wanneer wij alleen deze maatregelen zouden nemen zouden de producten wellicht niet kunnen concurreren met die uit de pseudolandbouw elders.

De handel

De volgende radicale stap is nu te bepalen – in het gebruikerscontract met de grondbeheerstichting – dat de producten van het bedrijf geen eigendom van de individuele boer zijn maar van een speciaal daartoe op te richten handelsorganisatie die zich verplicht alle producten op afroep op te halen (het is overigens zaak vervoer en handel afzonderlijk te laten opereren) en die ze vervolgens onder vermelding van de herkomst in de handel brengt, dat wil zeggen zo duur mogelijk verkoopt. In het “zo duur mogelijk” zit de concurrentie met andere prijzen. Landbouwproducten zijn derhalve, omdat ze geen inkoopsprijs kennen, altijd concurrerend. (Zowel met pseudolandbouwproducten als met landbouwproducten van elders die “gedumpt” worden. Hier liggen nog vragen en wel omdat de handelaar geen inkoopsprijs heeft moeten betalen en daardoor alleen zijn eigen onkosten en inkomen – terug – te verdienen heeft.) En worden derhalve altijd geconsumeerd! Wanneer nu die handelsorganisatie zo opgezet wordt dat de handeldrijvenden en vervoerders een inkomensbegrenzing kennen (zij stellen van tevoren hun inkomen vast en strijken niet automatisch de winst op – in overleg met de boerenorganisaties) zal allicht een overschot ontstaan en dat overschot is nodig omdat de boeren nog geen inkomen hebben en nog geen (on)kostenvergoeding (voor investeringen, machines, preparaten, etc.) hebben genoten. Het zou bovendien niet terecht zijn de handel het volle voordeel te gunnen van een inkoopprijs van nihil.

Terug naar de landbouwers

De landbouwers zorgen voor een orgaan dat met de handel de inkomensbegrenzing en andere voorwaarden afspreekt. En dat de “overschotten” opvangt. Uit die overschotten moet in ieder geval een deel van het inkomen en de bedrijfskosten van de boer komen. Het is duidelijk dat de gemeenschap niet tolereert dat niet iedere boer een goed inkomen – een inkomen dat past bij dit uiterst verantwoordelijke en intensieve beroep – heeft.

De gemeenschap

Indien – en dat zal in de huidige toestand zeker het geval zijn – de overschotten te weinig opleveren, past de gemeenschap bij uit algemene middelen. Wat erop toegelegd zal moeten worden zal in ieder geval niet meer dan een fractie zijn van wat ons aan kosten te wachten staat als de huidige systematische vergiftiging en verwoesting van de aarde doorgaat. Sterker nog: onderwijs en volksgezondheid zullen al op korte termijn vergeleken met de huidige situatie dusdanige besparingen boeken dat de inkomensverschaffing aan de landbouwers uit algemene middelen zijn gewicht in goud waard zal blijken. (Op kleinere schaal kunnen het consumenten-gemeenschappen zijn die langs de weg van de fiscale aftrekbare giften ditzelfde kunnen bewerken.) Het is om dezelfde reden onjuist te stellen dat wie een landbouwproduct verkiest boven een pseudolandbouwproduct daarvoor dan maar meer betalen moet. Het pseudolandbouwproduct is namelijk “goedkoper” omdat kosten op de gemeenschap afgewenteld worden.

Wat zo bewerkt wordt

Door de voorgestelde opzet is een definitieve scheiding tussen landbouw en handel bewerkstelligd enerzijds en anderzijds gegarandeerd dat de grond als productiemiddel een totaal andere behandeling krijgt dan de door mensen gemaakte productiemiddelen. De boer kan zich bij zijn beroepsuitoefening volledig richten op de aarde en daarbij weten dat zijn producten hun afzet zullen vinden. Hij zal in zekere zin afstand moeten doen van het ondernemerschap – zou men hem dit ondernemerschap in concurrerende zin willen laten, dan zou daarmee de dwang vanuit de economie in stand blijven en daarmee het motief om oneigenlijk te handelen.

Nieuwsbrief

De Driegonaal-nieuwsbrief verschijnt onregelmatig. Registreer hier!



Sociale netwerken