Grond is geen koopwaar

15 t/m 17 november
Emmen (Wilhelmsoord)
Antroposofische sociale wetenschap: inzichten en praktijk

Een studie- en werkweekend onder leiding van Heidjer Reetz op biologisch-dynamische boerderij ’t Leeuweriksveld bij Emmen. Georganiseerd door stichting Eurosophia (van de Europahuizen en Europavrienden) i.s.m. Wouter en Kathinka Kamphuis van ’t Leeuweriksveld en Noor Bunnik. Voor deze ontmoeting verwachten we deelnemers uit geheel Europa. Voerta(a)l(en): Duits, Engels, Nederlands

Is onze grond te koop? De grond waarop we staan, leven en werken? De aarde zelf, die niet door mensen gemaakt is, maar die ons geschonken is?

Nederlandse landbouwgrond is veel te duur voor een biologische (dynamische) boer terwijl juist kringloopbedrijven de toekomst hebben. De grond is ook te duur voor een modale woningzoekende. Moet grond eigenlijk wel verhandeld worden?

Deze hoogst actuele problematiek willen wij vanuit de antroposofische sociale wetenschap belichten. Praktijkvoorbeelden laten mogelijkheden zien.

Meer informatie:
zie de Agenda op www.antrovista.com

Hoe bevrijden we de landbouw…

uit de wurggreep van de economie?

Een artikel van Mouringh Boeke uit een oud nummer van Driegonaal (voorjaar 1992). Die oude nummers blijken ook over actuele vraagstukken nog wezenlijke inhoud te bevatten…

In onze huidige samenleving speelt het economische leven de hoofdrol met daarin als kerngebeuren de verkoop van waren, wat dan plaats vindt door waren tegen geld – als representant van andere waren – te ruilen. Daarbij is ons economisch leven op concurrentie afgestemd – dat wil zeggen dat ten koste van de gehele economie een voortdurende strijd bestaat tussen deelactiviteiten en individuele bedrijven en mensen. Voor de economie als geheel betekent dit een permanente gigantische verspilling van krachten.

Ook landbouwproducten zijn waren, net zo goed als geestelijke prestaties. Het is echter zeer wel mogelijk en ook noodzakelijk te onderzoeken of er geen wezenlijk onderscheid bestaat tussen een industrieel product, een landbouwproduct en een geestelijke prestatie. Alle drie dienen zij als waar een geldelijke tegenprestatie te hebben, doch het grote verschil ligt in de rol van de economie bij het tot stand komen van de waar als zodanig. Bij de eerste groep – industriële producten: bijvoorbeeld een kachel – geldt dat zij geheel naar de wensen van de gebruikers gemaakt kunnen worden, en, willen ze voldoen, ook zo gemaakt moeten worden. Bij de tweede groep – geestelijke prestaties: bijvoorbeeld dat het onderwijs elk jaar zoveel mensen aflevert met bepaalde vermogens en vaardigheden – is dat reeds totaal anders. De vraag namelijk wat binnen het onderwijs ontwikkeld moet worden, mag niet door wensen omtrent het “eindproduct” bepaald worden. De mens is geen gebruiksvoorwerp, al wordt hij nu, juist ook in het onderwijs, wel zo beschouwd. En de vraag wat in het onderwijs gebeuren moet is een vraag waarin geen enkele inmenging vanuit de economie toelaatbaar is. De grote vraag is nu of dat niet voor landbouwproducten hetzelfde geldt; namelijk dat ze pas als waar gezien mogen worden nadat ze geproduceerd zijn. De gehele situatie nu toont aan dat dit zo is: landbouw is primair het verzorgen van de aarde en dat dit ook nog producten oplevert is een (gelukkige) bijkomstigheid. Landbouw mag niet door de economie beïnvloed worden; wel moeten de producten geconsumeerd en daartoe gedistribueerd worden. Dit betekent dat de consument af moet wachten wat de landbouw voortbrengt, zoals de gemeenschap ook af moet wachten welke vermogens en vaardigheden in het onderwijs ontwikkeld worden die de nieuwe volwassenen meebrengen. En moet beseffen dat daar niets kan worden afgedwongen zonder het gehele proces geweld aan te doen.

Het economisch leven nader beschouwd

Het huidige economische leven berust op concurrentie en op zogenaamde winstmaximalisatie en wordt door degenen die erin staan beschreven als een slagveld. Bij de industriële productie geldt dat de kapitaalgoederen – de productiemiddelen – een zeer begrensde levensduur hebben: in betrekkelijk korte tijd zijn investeringen technisch achterhaald en moeten de productiemiddelen door nieuwe vervangen worden. Een productiemiddel wordt dus kort intensief gebruikt en dan: weg ermee! Ze zijn tenslotte ook door mensen gemaakt en vervangbaar. Waar de landbouw van het economisch leven slechts een zeer klein deel uitmaakt en niet vanuit een andere denkwijze wordt beoefend, is het onvermijdelijk dat de landbouw steeds meer industrie wordt en de aarde, het productiemiddel dat reeds eeuwenoud is en nog eeuwen mee moet,  wordt uitgebuit. Roofbouw is thans systeem. Zo zeer zelfs dat steeds duidelijker wordt dat de aarde als zodanig gevaar loopt verwoest te worden en dat ingrijpen noodzakelijk is. Dat kan alleen vanuit zuivere begrippen. De begrippen landbouw en alternatieve landbouw zijn dat niet. Wat thans landbouw heet zou consequent “pseudo-landbouw” of “industriële roofbouw ter verkrijging van pseudo-voedsel” genoemd moeten worden; wat thans alternatieve landbouw genoemd wordt zal ik eenvoudig landbouw noemen. Daarmee begint namelijk pas (weer) wat werkelijke landbouw is. De eerste vraag is dan: hoe roepen wij een situatie in het leven die de boer in staat stelt landbouwer te worden; dat wil zeggen dat hij landbouw kan beoefenen zonder enige druk vanuit de economie. Met als uitsluitende maatstaf wat de aarde aan bewerking vraagt. De tweede vraag is dan hoe wij ons de handel in landbouwproducten kunnen voorstellen binnen de huidige economie? Het is per slot duidelijk dat alle landbouwproducten geconsumeerd moeten kunnen worden wanneer er ook maar ergens een vraag naar is.

Landbouwers

Bij boeren hoort een erf en grond waarvoor de boer verantwoordelijk is en waarover hij zeggenschap heeft. Die zeggenschap mag niet berusten op het klassieke particuliere eigendomsrecht. Integendeel: de (bloot)eigendom van grond – van alle landbouwgrond – zou geneutraliseerd moeten worden; dat wil zeggen dat grond niet verkocht of bezwaard kan worden en in “eigendom” is bij een instelling die er zelf niet mee kan/mag werken, die er uitsluitend op kan toezien en waarborgt dat de juiste procedures gevolgd worden bij het toekennen van grond aan boeren. Men kan zich één of meer stichtingen voorstellen die in de statuten opgenomen hebben dat de grond plus erf en boerderij aan boeren ter beschikking wordt gesteld (vrij van pacht) waarbij de grond ogenblikkelijk terug genomen wordt wanneer kunstmest of bestrijdingsmiddelen gebruikt worden, niet in de eigen mestbehoefte voorzien wordt of monoculturen ontstaan. Houdt iemand zich daar niet aan dan wordt het vertrouwen opgezegd. Hoe komt de boer aan zeggenschap op grond van vertrouwen? Het mogen beslist niet de beheerders van de grond zijn (de stichtingsbesturen of de ambtelijke instellingen), die bepalen wie als boer een stuk land toegewezen krijgt. Een onafhankelijk orgaan (of meerdere regionale onafhankelijke organen), bestaande uit boeren die allen om hun vakkennis geacht worden, dient daarover te beslissen. Een dergelijk orgaan van vrije boeren kan op persoonlijke titel met gezag oordelen over de capaciteiten van de gegadigden en kan beslissingen nemen. Bij gebleken onvermogen of gebrek aan inzet kan datzelfde orgaan ook besluiten iemand “zijn” grond en erf weer te ontzeggen. Is het dan niet terecht zowel ten opzichte van de aarde zelf als ten aanzien van de mensengemeenschap dat grond alleen aan diegenen toevertrouwd wordt die zich daartoe waardig tonen? Bij dit alles kan men zich goed voorstellen dat een boer die ermee wil ophouden zelf zijn opvolgers aanwijst; hij is immers zelf ook ter zake kundig en zal “zijn” bedrijf een goed hart toedragen en graag in goede handen zien. In een dergelijk geval zal hij ook een eigen zoon of dochter kunnen aanwijzen; bij de genoemde door de stichting of staat gestelde voorwaarden en bij de competentie van het genoemde beroepsorgaan en onder de nog te beschrijven andere voorwaarden zullen daardoor geen misbruik of wantoestanden ontstaan.

Tot zover hebben we wel de grond veilig gesteld maar nog geenszins de boer verlost uit de klauwen van de economie; in tegendeel: wanneer wij alleen deze maatregelen zouden nemen zouden de producten wellicht niet kunnen concurreren met die uit de pseudolandbouw elders.

De handel

De volgende radicale stap is nu te bepalen – in het gebruikerscontract met de grondbeheerstichting – dat de producten van het bedrijf geen eigendom van de individuele boer zijn maar van een speciaal daartoe op te richten handelsorganisatie die zich verplicht alle producten op afroep op te halen (het is overigens zaak vervoer en handel afzonderlijk te laten opereren) en die ze vervolgens onder vermelding van de herkomst in de handel brengt, dat wil zeggen zo duur mogelijk verkoopt. In het “zo duur mogelijk” zit de concurrentie met andere prijzen. Landbouwproducten zijn derhalve, omdat ze geen inkoopsprijs kennen, altijd concurrerend. (Zowel met pseudolandbouwproducten als met landbouwproducten van elders die “gedumpt” worden. Hier liggen nog vragen en wel omdat de handelaar geen inkoopsprijs heeft moeten betalen en daardoor alleen zijn eigen onkosten en inkomen – terug – te verdienen heeft.) En worden derhalve altijd geconsumeerd! Wanneer nu die handelsorganisatie zo opgezet wordt dat de handeldrijvenden en vervoerders een inkomensbegrenzing kennen (zij stellen van tevoren hun inkomen vast en strijken niet automatisch de winst op – in overleg met de boerenorganisaties) zal allicht een overschot ontstaan en dat overschot is nodig omdat de boeren nog geen inkomen hebben en nog geen (on)kostenvergoeding (voor investeringen, machines, preparaten, etc.) hebben genoten. Het zou bovendien niet terecht zijn de handel het volle voordeel te gunnen van een inkoopprijs van nihil.

Terug naar de landbouwers

De landbouwers zorgen voor een orgaan dat met de handel de inkomensbegrenzing en andere voorwaarden afspreekt. En dat de “overschotten” opvangt. Uit die overschotten moet in ieder geval een deel van het inkomen en de bedrijfskosten van de boer komen. Het is duidelijk dat de gemeenschap niet tolereert dat niet iedere boer een goed inkomen – een inkomen dat past bij dit uiterst verantwoordelijke en intensieve beroep – heeft.

De gemeenschap

Indien – en dat zal in de huidige toestand zeker het geval zijn – de overschotten te weinig opleveren, past de gemeenschap bij uit algemene middelen. Wat erop toegelegd zal moeten worden zal in ieder geval niet meer dan een fractie zijn van wat ons aan kosten te wachten staat als de huidige systematische vergiftiging en verwoesting van de aarde doorgaat. Sterker nog: onderwijs en volksgezondheid zullen al op korte termijn vergeleken met de huidige situatie dusdanige besparingen boeken dat de inkomensverschaffing aan de landbouwers uit algemene middelen zijn gewicht in goud waard zal blijken. (Op kleinere schaal kunnen het consumenten-gemeenschappen zijn die langs de weg van de fiscale aftrekbare giften ditzelfde kunnen bewerken.) Het is om dezelfde reden onjuist te stellen dat wie een landbouwproduct verkiest boven een pseudolandbouwproduct daarvoor dan maar meer betalen moet. Het pseudolandbouwproduct is namelijk “goedkoper” omdat kosten op de gemeenschap afgewenteld worden.

Wat zo bewerkt wordt

Door de voorgestelde opzet is een definitieve scheiding tussen landbouw en handel bewerkstelligd enerzijds en anderzijds gegarandeerd dat de grond als productiemiddel een totaal andere behandeling krijgt dan de door mensen gemaakte productiemiddelen. De boer kan zich bij zijn beroepsuitoefening volledig richten op de aarde en daarbij weten dat zijn producten hun afzet zullen vinden. Hij zal in zekere zin afstand moeten doen van het ondernemerschap – zou men hem dit ondernemerschap in concurrerende zin willen laten, dan zou daarmee de dwang vanuit de economie in stand blijven en daarmee het motief om oneigenlijk te handelen.

Verschenen: nieuwe Driegonaal

Dubbelnummer 3/4 van de 35e jaargang is verschenen.

Vol inhoud om verder te kijken dan het dagelijks nieuws lang is.
In dit nummer:

De rubriek Caleidoscoop met onder meer:
– Andere wegen dan de bestaande
– 100 Jaar Vrije School
– Joseph Beuys: De kunst is de bron

100 Jaar sociale driegeleding:
– Over rijpe en onrijpe pruimen: Rudolf Steiner in driegeledingstijd (Herbert Hahn)
– Hoe werkt men voor de sociale driegeleding – een voordracht van Rudolf Steiner

Surfend naar een andere economie: een interview met Hans van den Broek

Echte democratie of partijendemocratie (Hans-Georg Schweppenhäuser)

“Laat 1000 robots werken” (John Hogervorst)

Sociale driegeleding om moreel te wórden (Dieter Brüll)

En meer…

Ontvang onze e-Nieuwsbrief!

Morgenochtend wordt er weer een Driegonaal e-Nieuwsbrief verspreid. Daarin niet alleen een overzichtje van interessante activiteiten (zie hieronder) maar ook een artikel over achtergronden bij het dagelijks nieuws waarin het gaat over de bureaucratie als vijand van de scheppende, vernieuwende ontwikkeling.
Schrijf je in (rechtsonder op onze homepage) om onze e-Nieuwsbrief te ontvangen!

Activiteiten:

18 september, Leiden
Een voordracht van John Hogervorst over ‘Mani en zijn betekenis voor onze tijd’. Daarin gaat het onder meer over de verhouding van goed en kwaad, het vraagstuk van leven en vorm én de sociale driegeleding als de voor onze tijd passende sociale vormgeving van de samenleving.
Nadere informatie: www.zonneboom.nl
SVP aanmelden: info@zonneboom.nl

Vanaf 30 september, Leiden
Werkplaats voor de Toekomst
Op 30 september a.s. gaat, voor de tweede keer, de Werkplaats voor de Toekomst van start, een cursus waarin stevig wordt gewerkt aan de sociale driegeleding. De cursus wordt begeleid door John Hogervorst, Christine Gruwez, Klaas van Egmond, Harrie Salman en Reinoud van Bemmelen.
Uit de aankondigingstekst:
Wat gaan we doen?
– Gezamenlijke studie/bespreking van De kernpunten van het sociale vraagstuk.
We zullen ons intensief bezighouden met het begrijpen van dit basiswerk van de sociale driegeleding; en daarmee ook werken aan het levendige denken dat nodig is om het sociale leven te vernieuwen.
– Inzicht in de ontwikkeling van de mens en zijn bewustzijn. Daarmee oefenen we inzicht in de achtergronden en werkelijke vraagstukken van deze tijd.
– Mens tussen mensen: wat verbindt de moderne, individualistische ingestelde mens met de gemeenschap en hoe verbinden we ons van mens tot mens?
– Werken aan een andere economie. Hoe komen we tot een economie die recht doet aan mens en aarde?
– Voorbeelden uit de praktijk. Welke hoopvolle initiatieven zijn er?

19 september, Leiden
Een voordracht van Klaas van Egmond: ‘Een moreel kompas voor een nieuwe Europese renaissance’. Over een morele herbezinning op menselijke waardigheid, die kan leiden tot een nieuwe koers in actuele vraagstukken als duurzaamheid, economie en het financiële stelsel.
Nadere informatie: www.zonneboom.nl
SVP aanmelden: info@zonneboom.nl

De bijeenkomsten bestaan uit inleidingen en gesprek. Deelnemers kunnen vraagstukken uit hun eigen praktijk inbrengen. Voor de gezamenlijke studie is het nodig dat de deelnemers zich thuis voorbereiden. De bijeenkomsten vinden plaats op maandagmiddag vanaf 30 september 2019 (1x per twee weken) van 13.15 tot 17.15 uur.
18 bijeenkomsten (tot in mei 2020), prijs € 725,00 (incl. btw)
Meer informatie: www.zonneboom.nl

Geen surrogaat

“Vóór alles ligt het mij vandaag na aan het hart om u een en ander te vertellen met het oog op wat vanuit de impulsen van onze tijd, vanuit de nood van onze tijd, tegen de mensen moet worden gezegd in een geschrift van mij over het sociale vraagstuk, dat in de komende dagen zal verschijnen. Dit geschrift zal heten De kernpunten van het sociale vraagstuk in de werkelijke eisen van het leven nu en in de toekomst. Uit de beschouwingen van de afgelopen dagen, die eigenlijk slechts een voortzetting en een uitbreiding zijn van de beschouwingen die wij hier sinds vele weken hebben gehouden, zult u hebben opgemaakt dat hetgeen ik juist met betrekking tot het sociale vraagstuk zal moeten zeggen, niet een soort zijstroming is naast dat wat in ons hele geesteswetenschappelijke streven leeft, maar dat wij het inderdaad zó moeten zien dat dit geesteswetenschappelijk streven juist door de hem eigen aard, begrip ontwikkelt voor de behoeften en de eisen van het heden en de naaste toekomst, en dat het nu eenmaal zo is dat het juist voor het karakter van onze tijd kenmerkend is, dat de nood van de tijd alleen radicaal kan worden opgelost vanuit geestelijke impulsen. Al het andere dat zou worden geprobeerd – ik heb dit al vanuit de meest verschillende gezichtspunten benadrukt – zou toch hoogstens een surrogaat kunnen zijn. Ook het uiterlijke dat zou moeten worden gedaan, zal van een zodanige natuur moeten zijn dat, ik zal niet zeggen een bepaalde vorm van geesteswetenschap, maar dat een geestesleven dat naar de werkelijke geest streeft, binnen de sociale ordening mogelijk wordt.”
(Rudolf Steiner in een voordracht van 14 april 1919, GA 190)

[Opgenomen in: Driegonaal, jrg.35, nr.1/2, april 2019]

Wij leven toch in een democratie?

In Europa is de democratie als politieke eis bijna 200 jaar oud. Zij werd verkondigd als een van de grote verlangens van de Franse Revolutie met de woorden ‘vrijheid, gelijkheid, broederschap’. De opeenvolgende reeks politieke strubbelingen in Europa heeft sinds generaties met deze drie verlangens te maken. De politieke onrust komt voort uit het feit dat geen van de drie idealen tot dusver gerealiseerd kon worden. In politiek opzicht wil democratie zeggen dat de meerderheid beslist. Sinds deze eis helder is, doen anti-democraten er alles aan om de meerderheid in hun richting mee te krijgen. Omdat zij, de anti-democraten, nog altijd de zeggenschap over de massamedia hebben, lukt dit hen tot op de dag van vandaag. (…)

De opgave van het individu ten opzichte van de democratie is dat hij de andere opvatting van de ander, zowel als diens persoonlijkheid, als ook diens eenvoudige bestaan als mens werkelijk moet respecteren.  Als innerlijke eis aan ieder mens vraagt democratie onvoorwaardelijk respect voor ieder mens, eenvoudigweg omdat hij mens is. Daarbij is het niet relevant of die ander slimmer of dommer is, armer of rijker, laag- of hoogopgeleid. Het gaat om niets anders dan respect voor die andere mens, onafhankelijk van diens afkomst of uiterlijke kenmerken. Deze democratische houding, die de ander volledig respecteert, is kern en substantie van de democratie. Zonder deze substantie is het woord ‘democratie’ betekenisloos. Op dit punt schieten wij ernstig tekort. Dat kan ook pijnlijk ervaren worden, waar mensen samenkomen die zich uit oprechte overtuiging sterk maken voor de democratie. Ook bij hen is vaak te zien hoe elk respect voor de ander als vertegenwoordiger van een andere overtuiging, als gesprekspartner, als jongere of oudere, volledig ontbreekt. (…)
De weg naar werkelijke democratie is oneindig zwaar omdat wij pas aan het begin staan van het ontwikkelen van een echte democratische gezindheid en van werkelijk respect voor de andere mens. (…) De kern, de substantie van de democratie is een gezindheid. Die bestaat uit respect voor de mening van de andersdenkende, al bevalt deze mening ons nog zo weinig. Die bestaat ook uit het respect voor een stamelend, onbeholpen woord, dat misschien veelzeggend kan zijn wanneer men maar kan luisteren, de mens respecteert de stamelend naar zijn woorden zocht.

Het oefenen voor een echte democratische gezindheid is voor ons allemaal nog iets nieuws. Een oefenveld vinden wij in onze relatie, in ons gezin, in kleine groepjes. Daar waar wij elkaar regelmatig ontmoeten, waar de kring klein en overzichtelijk is, kunnen wij het ware respect voor de onaantastbare menselijke waarde van ieder afzonderlijk leren kennen. (…) Het respect voor de ander mens en voor zijn gelijkberechtiging als mens moet geoefend en geleerd worden.

[Dit fragment werd gepubliceerd in Driegonaal jrg.35, nr.1/2 (april 2019) en is afkomstig uit een artikel van Peter Schilinski uit 1984, opnieuw gepubliceerd in Jedermensch, Nr. 678, Frühling 2016]

E-Day herdenking

Nadat we gisteren de viering van 75 jaar D-Day beleefden, gaat alle aandacht vandaag uit naar de viering van 75 jaar E-Day. Was D-Day (in de beeldvorming) het begin van het einde van de bezetting van Europa door Nazi-Duitsland, zo staat E-Day in het teken van de herdenking van 75 jaar economische macht van de Verenigde Staten van Amerika.

De Europese wederopbouw, mede gefaciliteerd door het ‘Marshallplan’, betekende ook de inkadering van de Europese economie in de Amerikaanse; het proces van dekolonisatie dat na het einde van de tweede wereldoorlog zijn vaart nam, maakte nieuwe zelfstandige staten in Afrika, Azië en elders tot drijfhout op de golven van het door de VS  gedomineerde economische stelsel.

Uiterlijk sinds het einde van die oorlog kan tot op grote hoogte met recht worden gezegd: “economie is de voortzetting van de oorlog, met andere middelen”.

Dat de wereldwijde Amerikaanse economische dominantie 75 jaar na E-Day als nooit tevoren wordt uitgedaagd, door China, biedt een weinig verheugend perspectief. Het Chinese staatskapitalisme verenigt de schaduwkanten van het Amerikaanse kapitalisme (met als bestanddelen o.a. vrijheid van uitbuiting; vrijheid van consumentenbedrog en vrijheid van vernietiging van de aarde) met de wil het individu volledig te conditioneren en in te passen in de staatsideologie. Het Amerikaans-getinte kapitalisme doet dat anders: het maakt het individu tot een systeemgetrouw mak lam door hem te verdoven met welvaart, technologie en de schijn van vrijheid.

De tweestrijd tussen China en de VS zal tot niets vruchtbaars leiden en slechts het besef dat een andere economie mogelijk is nog verder afdempen. En boven de tweestrijd uit, hebben beide ‘economische systemen’ met elkaar gemeen dat zij een aanval doen op de vrije ontwikkeling van het individu.

Zo in de tijd van Pinksteren, door Rudolf Steiner eens gekarakteriseerd als “het feest van de vrije individualiteit”, is het – anders dan mee te deinen in het uiterlijk vertoon van de D-Day herdenking – misschien beter  om eens na te zoeken waarmee Rudolf Steiner zich bezighield, in juni 1919 – honderd jaar geleden. (jh)


Rudolf Steiner in juni 1919

Het is van groot belang dat wij tot inzicht komen in de samenhang tussen het loze gezwets van onze tijd en het onderwijs zoals wij dat nu kennen. Het verwerven van dít inzicht is datgene wat zich zou moeten verdelen en zich in afzonderlijke vurige tongen over de hoofden van onze tijdgenoten zou moeten uitstorten.
Er wordt tegenwoordig vaak gesteld dat men aan het woord niet veel betekenis hoeft te hechten, want ‘in het begin was er de daad’. Maar deze zienswijze zal ons niet veel verder helpen want het woord is tot frase en geklets geworden en de daad tot een gedachtenloze brutaliteit. Dan is het natuurlijk voor de hand liggend om geen betekenis aan het woord te hechten. In het woord zoals dat nu gebruikt wordt, kan men slechts de frase voelen, in de daad die we nu kennen voelen we de gedachtenloze brutaliteit.
Dit alles staat in een diepe verbinding met hoe opvoeding en onderwijs in onze tijd geworden zijn. (…)
(8 juni 1919, GA 192)

“Ja, wat is er eigenlijk van het geestesleven geworden? Het is verworden tot een aanhangsel van de staat, een aanhangsel van de economie. Als bestuurder van het geestesleven, en vooral van het onderwijs, heeft de staat het geestesleven geruïneerd. En de economie, als broodheer van het geestesleven, heeft het nog verder de vernieling in geleid.

We hebben een echt vrij geestesleven nodig, want alleen in een vrij geestesleven kan binnenkomen wat de geestelijke wereld de mens openbaren wil (…) de lakeien van de staat, de staatshoogleraren en zij die in het geestesleven de loopjongens van de economie zijn, aan hen zal de geestelijke wereld niets openbaren, dat zal alleen gebeuren aan zij die dagelijks in het vrije geestesleven worstelen. De historische ontwikkeling zelf roept om de bevrijding van het geestesleven uit de ketens van staat en economie.
Deze dingen, die ik ook als ‘driegeleding van het sociale organisme’ naar voren heb gebracht, zijn in werkelijkheid het christendom van vandaag: het zijn in uiterlijke vorm gehulde geestelijke openbaringen.”
(12 juni 1919, GA 193)

Nieuwsbrief

De Driegonaal-nieuwsbrief verschijnt onregelmatig. Registreer hier!



Sociale netwerken