Verdere gedachten rond het coronavirus

Een mens hoeft geen antroposoof te zijn om bewondering hebben voor Rudolf Steiners werkkracht. Als we bijvoorbeeld alleen kijken naar zijn geschreven werk en zijn voordrachten, en dan nog alleen naar de hoeveelheid en niet naar de inhoud, is een geschat aantal van 6.000 voordrachten die hij hield en geschreven teksten die in zo’n 45 boekbanden zijn gevat, toch best wel veel.
Als we het ruim nemen, en stellen dat hij zijn voordrachten hield in een periode van 25 jaar (van 1900 tot 1924) hield hij elke drie dagen twee voordrachten. Gedurende 25 jaar.
En daar ‘tussendoor’ schreef hij zijn boeken, had een eindeloze hoeveelheid besprekingen, privégesprekken, regisseerde, ontwierp, hield zich permanent op de hoogte van de ontwikkelingen in de wereld en in allerlei (wetenschappelijke) vakgebieden en reisde kriskras door heel Europa. En daarbij kwam dan nog: het geesteswetenschappelijk onderzoek.

In de periode na het einde van de eerste wereldoorlog was, een tijd lang, de sociale driegeleding zijn hoofdthema. Duitsland was uitgeput, gewond en deels verwoest – in alle opzichten. De mensen hadden hun buik vol van de ellende die de oorlog bracht. Er leefde een sterk maar onbepaald verlangen naar vrede en een rechtvaardige samenleving. De oorlog leek ook een breuk met het verleden, en nu dat verleden weg was, was er misschien iets nieuws, iets beters mogelijk.

De sociale driegeleding was dat nieuwe en dat betere en Rudolf Steiner sprak er over, met arbeiders, met de gegoede burgerij, met middenstanders, intellectuelen, politici, kunstenaars en ondernemers. Naar zijn wezenlijke aard heeft de driegeleding elk mens een nieuwe wereld te bieden.
Maar elke belangengroep vond in de driegeleding ook iets dat tegen hún belang inging – en daarmee een reden om de driegeleding  af te doen. En natuurlijk: iets dat écht nieuw is, en geen opnieuw opgewarmd oud kliekje, is ook iets dat de boer niet kent. En dan vraagt de driegeleding ook nog om enige denkinspanning en het vermogen om de stofnesten in ons denken op te ruimen.

En zo gebeurde het Rudolf Steiner’, in de tijd dat hij de sociale driegeleding bracht, keer op keer dat hem iets gezegd werd in de trant van: “Dat klinkt heel interessant Dr. Steiner, die sociale driegeleding lijkt ons een goed idee – maar zegt u ons eerst hoe we het probleem van de geldontwaarding aan kunnen pakken. Als dat probleem is opgelost, kunnen we daarna aan de sociale driegeleding gaan werken.”

Duitsland kampte in de jaren na de eerste wereldoorlog onder andere met hoge golven van inflatie, waardoor het geld zijn waarde verloor. De driegeleding moest nog even wachten.
En zo werden scheuren en gaten dicht gepleisterd, gammele steunbalken opgetrokken, lekken provisorisch gedicht – en bleef het oude sociale bouwwerk overeind. Terwijl het ontstaan van de oorlog had aangetoond dat het oude bouwwerk onbewoonbaar verklaard had moeten worden en de sociale driegeleding het enige toekomstbestendige fundament voor een nieuw sociaal bouwwerk was.

Misschien vergt het moed, maar wie het verdere verloop van de 20e eeuw bekijkt en ook meeneemt met welke ontwikkelingen we sinds het begin van de 21e eeuw te maken hebben (ik noem er een paar: ’11 september’ en de daaropvolgende oorlogen in Irak, Afghanistan,…; de financiële crisis van 2007/08; de aantasting van het milieu; de ongelijke verdeling van welvaart; het migratievraagstuk; het verdwijnen van de privésfeer en de vrijheid van ‘anders denken’ die schuilgaat achter het glanzende gemak van de moderne technologie), zal moeten inzien dat er een massieve tendens in onze samenleving heerst die deze ‘onbewoonbaar’ dreigt te maken. 

Terwijl de sociale driegeleding nog steeds de volle potentie in zich draagt om het fundament voor iets nieuws en iets beters te zijn.

Maar nu, nu moeten wij eerst de coronacrisis te lijf.
Van allerlei kanten zijn er (groepen) mensen die deze crisis willen opnemen als een roep tot bezinning, een dringende uitnodiging om te onderzoeken of wij de dingen niet anders moeten doen. Anderen zeggen dan direct (ik hoorde het ongeveer letterlijk zo op de radio): “Daar hebben de mensen die in de gezondheidszorg werken, en de anderen in hun vitale beroepen, nu geen tijd voor”.
Het is een teken aan de wand dat aperte domheid de norm lijkt te worden, althans, in de kringen die wij in de media steeds langs zien en horen schuiven.

De gatenplakkers, de reparateurs met de schilderskwast, de stopverfbouwers – dat zijn de mensen die Rudolf Steiner (zie De kernpunten van het sociale vraagstuk) de ‘zogenaamde practici’ noemde. Het zijn de mensen die zichzelf heel praktisch vinden, gedachteloos zijn zij alsmaar druk bezig, het bouwwerk stort immers bijna in elkaar, dus aan de kitspuit hebben wij nu meer dan aan een levend, sociaal opbouwend denken dat ons de weg zou kunnen wijzen…

Waar het naar toe gaat met de coronacrisis, er is geen mens die er iets zinnigs over zeggen kan.
Eén ding staat wel vast: degenen die de richting van de ontwikkeling van onze samenleving bepalen (dat zijn degenen die vast willen houden aan hun comfortabele, bevoorrechte positie én al degenen die geen behoefte ervaren aan het bevragen van de wijze waarop de samenleving functioneert en dus gewillig mee dobberen) willen ‘straks’ gewoon weer op de oude voet verder. Met een behangetje links, en een likje verf rechts, is wat hen betreft alles weer gedaan.
Dan gaan we vervolgens weer heel praktisch op weg naar de volgende crisis.

De crisis als leermeester brengt echter ook van alles mee dat de moeite van het aanzien waard is.
In de economie zien wij nu wat schuilgaat achter het begrip ‘wereldeconomie’: een wereldwijde economische wederzijdse afhankelijkheid. We hebben het hier en elders al vaker opgemerkt: er is in onze tijd niets dat zo verbindend is als de moderne, door arbeidsdeling gekenmerkte economie. Wij zijn volledig afhankelijk van de mensen die, over de hele wereld verspreid, hun bijdrage leveren aan de productie van hetgeen wij dagelijks gebruiken. Zoals deze mensen op hun beurt, afhankelijk zijn van ons, van de vraag of wij morgen opnieuw tot gebruik (en aankoop) van hetgeen zij maken zullen overgaan.
Dat is een wederkerige economische afhankelijkheid.
Tegelijkertijd geldt ook dat al degenen die buiten de economie werken: in het onderwijs, in de gezondheidszorg, in de wereld van kunst en cultuur, dat slechts kunnen doen bij de gratie van het feit dat er in de economie gewerkt, geproduceerd (waarde geschapen) wordt.
Dat is een andere vorm van wederkerige afhankelijkheid: zij die buiten de economie werken, kunnen dat alleen doen zolang degenen die in de economie werken voldoende produceren – en die laatsten doen dat in principe graag: zij hebben immers ook behoefte aan onderwijs, cultuur, gezondheidszorg.

Op dit moment ‘pompen’ staten massale hoeveelheden geld in de economie, om deze op gang te houden. Daar zit een grens aan, al weet geen mens waar die zich bevindt. Wanneer de economie echt vastloopt, zal blijken dat dit geld zijn waarde verloren heeft – en kunnen wij er niks meer mee kopen.

De crisis leert ons dat we – of we het wisten of niet, en of we het willen of niet – volledig van elkaar afhankelijk zijn. Voor de moderne, individualistisch ingestelde mens een moeilijk te verteren inzicht. Die meent ‘vrij’ en ‘onafhankelijk’ te zijn wanneer hij maar over  voldoende geld beschikt. Dat is een ontkenning van de werkelijkheid.
Wij zijn één mensheid, en allemaal van elkaar afhankelijk. Er is niets dat nu ‘verstandiger’ is om te begrijpen dan het besef van deze wederkerige afhankelijkheid – en om daar vervolgens naar te handelen.

Dat wordt ook genoemd: sociale driegeleding.
John Hogervorst

Een ongenode gast

– Gedachten bij het coronavirus
John Hogervorst

In deze dagen, waarin de ontwikkelingen rondom het coronavirus alle aandacht vragen, is het moeilijk om níet stil te staan bij dit virus en zijn wereldwijde gevolgen.

Op 7 april 1920 hield Rudolf Steiner een voordracht met als titel ‘Hygiëne als sociaal vraagstuk’.1) Een mogelijk verbazing wekkende titel. Hoe zou hygiëne een sociaal vraagstuk kunnen zijn? Dat is daar waar het individuele raakt aan het algemene.
Rudolf Steiner: “Dit gebrek aan sociale zienswijze merkt men het duidelijkst wanneer men zijn aandacht op één bepaald gebied richt, bijvoorbeeld op het gebied van de hygiëne, dat misschien nog meer dan andere, zich leent om aan een sociale beschouwing onderworpen te worden, namelijk voor zover hygiëne een openbare aangelegenheid is, die niet de enkele mens, maar de gehele mensengemeenschap aangaat.”
Dat laatste is momenteel onmiskenbaar het geval, zodat naast een medische benadering van het coronavirus (die u op deze plaats niet zal aantreffen) een ‘sociale beschouwing’ relevant kan zijn.

Het eerste deel van deze voordracht is gewijd aan het materialisme: aan de materialistische beschouwing van de wereld, en voor wie dit ver weg klinkt: ook aan het materialisme in ons eigen denken en bewustzijn. Hier ligt al direct een raakvlak met de huidige situatie.
Bijvoorbeeld: in de media zien we een reeks van deskundigen langs trekken: virologen, specialisten, epidemiologen, onderzoekers in allerlei specifieke vakgebieden die hun licht op het coronavirus laten schijnen. Zij praten ons bij over de verspreiding van het virus, de aard en werking ervan, over de oorsprong, preventie en bestrijding. – In zijn voordracht karakteriseert Rudolf Steiner het materialisme, en, heel verhelderend, zegt daar onder meer dat niet wat, maar hoe een mens denkt, aangeeft of hij (al dan niet bewust) een materialistische denkwijze heeft. Dat betekent bijvoorbeeld dat een mens oprecht overtuigd kan zijn van het bestaan van de menselijke ziel en de menselijke geest, maar desondanks, door hoe hij denkt, tóch materialistisch denkt.
Vervolgens geeft Rudolf Steiner een betekenisvolle illustratie van de beperktheid van elke materialistische benadering. Stel je voor, zegt hij, dat je een mens helemaal bedekt, zodanig dat je alleen nog de vingers van één hand van die mens ziet. En stel je voor dat je die vingers met alle mogelijke middelen en technieken onderzoekt. Dan is alles wat je zo te weten komt uiteindelijk van zeer beperkte betekenis: met alles dat je nu van de vingers weet, weet je niets over de gehele mens, niets over het organisme waarvan de vingers deel zijn, ben je niets wijzer over wat de mens is.

Om iets zinnigs te leren over en van het coronavirus, zouden we veel verder moeten kijken dan naar het virus zelf. Alle specifieke invalshoeken van waaruit de deskundigen ons over het virus informeren, zijn te vergelijken met een grootschalig maar minutieus onderzoek van ‘de hand’. Het coronavirus, deze ongenode gast, nodigt ons dus uit tot een verruiming van onze blik – feitelijk tot een verandering van ons denken, ons mens- en wereldbeeld, en daarmee ook van ons handelen in de ruimste zin. Dat begint met het inzicht dat we het virus niet geïsoleerd, als op zichzelf staand verschijnsel moeten onderzoeken, maar als deel van een groter geheel.

Dat grotere geheel kunnen we exploreren aan de hand van vragen, bijvoorbeeld:
– Ligt de oorsprong van het virus inderdaad, zoals ons gezegd wordt, op de markten in China waar een bonte stoet van dieren, al dan niet levend, verkocht wordt? Als dat zo is, wat betekent het dan dat er in de dierenwereld een dergelijk virus ontstaat, en hoe ontstaat het daar dan? Zegt dit iets, en zo ja wat, over de ‘gezondheid’ van het ecosysteem waarin deze dieren leven – en dat ook gewoon óns ecosysteem is? Ligt er een verband tussen menselijk handelen, dit ecosysteem en het ontstaan van dit virus? Als ja, wat zou daaruit moeten volgen?
– Waarom heeft dit virus potentieel zulke gevaarlijke gevolgen voor de mens?2) En wat zegt dit over de conditie van het menselijk immuunsysteem? Een gezond immuunsysteem ‘kan heel wat hebben’ – en overwint in de loop van een mensenleven menig virus. Staat ons immuunsysteem mogelijk onder druk, en wordt het verzwakt door andere factoren? Uit wetenschappelijk onderzoek is (al lang) bekend dat het immuunsysteem van mensen die veel aan stress bloot staan, of die last hebben van depressieve gevoelens, verzwakt. Ook is bekend dat het immuunsysteem zich ‘oefent en sterkt’ wanneer wij tijdens het opgroeien met van alles in aanraking komen: met van alles dat er in de natuur is, met vuil en allerlei ‘stofjes’, met kinderziekten, met infecties. Welk effect hebben allerlei vaccinaties op de gezondheid van ons afweersysteem? Wat is het effect van allerlei vormen van straling die ons tegenwoordig dag en nacht omgeeft? Is er een relatie tussen ons immuunsysteem en de kwaliteit van industrieel vervaardigde voedingsmiddelen?
Ja, we zouden er heel veel aan kunnen hebben wanneer wij het coronavirus als deel van een groot geheel zouden opvatten.

Daarmee is nog lang niet alles gezegd dat over de gevolgen van het virus opgemerkt kan worden. Ik ga nog even verder, maar vrees niet: niet alles kan en zal hier aan bod komen.

In de afgelopen week maakte ik, op een vliegveld in Boston in de VS., een voorval mee dat mij een glimp toonde van een mogelijke wereld in wording, in het kielzog van de coronacrisis. Omdat mijn retourvlucht naar Schiphol door de luchtvaartmaatschappij was geannuleerd, zoals, naar bleek, alle vluchten van deze maatschappij van Boston naar Nederland, was ik blij dat ik toch nog, met een andere vliegmaatschappij, terug kon reizen door eerst naar Lissabon en vervolgens naar Amsterdam te vliegen. Bij de gate, met een paar dozijn andere passagiers, wachtte ik op het moment dat wij het vliegtuig zouden kunnen betreden. Bij de balie van de Portugese vliegmaatschappij meldde zich een Spaanse vrouw die, zo bleek in het vervolg, diezelfde dag dezelfde vlucht naar Lissabon had geboekt, omdat haar vlucht naar Spanje ook geannuleerd was. Omdat de Spaanse regering diezelfde middag de landsgrenzen gesloten had, mocht deze vrouw, die vanuit Lissabon zou doorvliegen naar Spanje, niet mee. Ondanks de elkaar opvolgende woede en wanhoop die zich van haar meester maakten, werd haar de toegang tot het vliegtuig geweigerd. De ene na de andere medewerker van de vliegtuigmaatschappij beriep zich op het besluit van de boven hen gestelde machten en maakte de vrouw duidelijk dat zij niets voor haar konden doen. Na verloop van tijd verschenen twee gewapende politiefunctionarissen die zich over de Spaanse ‘ontfermden’…
Op de gezichten van de andere wachtenden herkende ik: verbazing, ongeloof, onbegrip, stil protest, schaamte én het besef: “Het heeft geen zin dat ik mij hiermee bemoei (en ik wil ook niet het gevaar lopen dat ik straks zelfs ook niet meevlieg).

Een glimp van een mogelijke wereld in wording, schreef ik hierboven. – De maatregelen die overal ter wereld genomen worden in het kader van de coronacrisis, vormen een ongekende inperking van grondrechten en menselijke vrijheid, en laten tegelijkertijd zien welke ‘kale structuren’ onder onze alledaagse werkelijkheid schuilgaan. Het zijn koude, onaanraakbare structuren waarop mensen nog maar beperkt invloed kunnen uitoefenen en die aan ‘menselijkheid’ ook geen ruimte geven.
Mogelijk komen deze maatregelen voort uit niets anders dan de wil om de gevolgen van het coronavirus zoveel mogelijk in te dammen.
Mogelijk wordt er ook nauwkeurig waargenomen hoe ‘men’ op deze maatregelen reageert, en ontstaat bij deze of gene de gedachte dat de ene of de andere maatregel ook voor andere doeleinden te gebruiken is.
Zéker is het zo, dat wij er goed aan doen nauwgezet te volgen wat er op dit vlak gebeurt en er op toe te zien dat tijdelijke maatregelen niet stilzwijgend een permanent karakter krijgen.

Ook op het vlak van de ‘publieke opinie’ past het om wakker te blijven, of te worden. Niet alleen om niet besmet te worden met allerlei gevoelens van angst of hysterie. Ook om waar te nemen hoe stemmen die een andere (een zogenoemde ‘afwijkende’) mening over aspecten van het coronavirus vertegenwoordigen, geen podium krijgen, en om op te merken dat allerlei wezenlijke vragen niet gesteld worden. De publieke opinie heeft in onze dagen absolutistische, dictatoriale en radicaal onverdraagzame trekken gekregen.

Te midden van dit alles is het goed om te beseffen dat het beter en vruchtbaarder is onze aandacht te richten op het gezonde dan op datgene wat ziek is. – Voor de duidelijkheid: ik spreek nu niet over gezonde of zieke mensen, maar over gezonde of ziekmakende ontwikkelingen in de samenleving. –
Wanneer wij het coronavirus opnemen als dringende aansporing om te doorzien wat het eigenlijk betekent dat onze samenleving, het heersende mens- en wereldbeeld, de hoofdstroom van de wetenschap, de invulling van de media, gevangen zijn in een materialistische mens- en wereldbeschouwing, zien wij van daaruit ook wat het gezonde is, onze aandacht verdient en ons denken kan verlevendigen: de vrijheid die in onze cultuur moet heersen – en die daar alleen voet aan de grond krijgt wanneer wij haar in onszelf veroveren.
Daar aangekomen, zouden in vrijheid gewonnen inzichten leiden tot een andere praktijk in alle gebieden: die van het cultuurleven, de politiek en van de economie.

Noten:
1) Een heruitgave van deze voordracht, die eerder in Driegonaal verscheen, verschijnt op 30 maart onder de titel:
Gezondheid – voor mens en samenleving
2) De medische vragen met betrekking tot de werking, betekenis en ‘gezondheid’ van het immuunsysteem ontleen ik aan een tekst van Hans-Ulrich Albonico, antroposofisch arts in Zwitserland, en verschijnt op 30 maart onder de titel:
Is ons afweersysteem nog gezond? – Vragen van een huisarts

Lobbycratie

Lobbycratie, rechten en belangen

Het deze zomer tot een breder publiek doorgedrongen woord ‘lobbycratie’ is een fijne aanvulling voor wie de huidige maatschappelijke toestand beknopt wil beschrijven. Zou je, laten we zeggen, tien woorden mogen gebruiken om die toestand te karakteriseren, dan is de term lobbycratie een rake typering voor wat in de sociale driegeleding het rechtsleven wordt genoemd.
In het gebied van politiek en democratie zien we immers hoe niet zozeer de ‘demos’ (het volk) maar de ‘lobby’ de sterkste kracht is in het tot stand brengen, uitwerken en naleven van wetten en regels. Lobbyisten belagen politiek en ambtenarij – de ‘lobby-industrie’ is uitgegroeid tot een volwassen bedrijfstak.

Het verschijnsel lobbyisme is natuurlijk al lang bekend en feitelijk geaccepteerd. Lobbyen is normaal, wie iets gedaan wil krijgen is gek wanneer hij daarvoor niet lobbyt. Toch roept deze gang van zaken wel een vraag op, namelijk: maken we in onze democratie eigenlijk nog wel een onderscheid tussen rechten en belangen? Want rechten en belangen zijn twee verschillende zaken.
Het recht van de ene mens is per definitie ook dat van de andere mens. Dat geldt voor belangen niet. Daar is het eerder andersom: het belang van de één is nagenoeg in alle gevallen strijdig met dat van enig ander mens. (En dáárom is het van belang dat er een ‘fundament’ van recht ten grondslag ligt aan alle politieke besluitvorming).
Welbeschouwd heeft dat wat hier ‘recht’ wordt genoemd het karakter van een ‘algemeen belang’: het handelt over dat wat alle mensen aangaat; waarover wij ons allemaal een oordeel kunnen vormen; waarvoor wij dus samen kunnen besluiten – en waarvoor niemand hoeft te lobbyen.

Kort geleden werd in het nieuws gesproken over de plannen om een nieuwe boerenpartij op te richten: veel boeren voelen hun belangen niet meer voldoende behartigd door bestaande politieke partijen. Inmiddels kennen we partijen die zich specifiek richten op de belangen van dieren, van ouderen, van ondernemers. Andere partijen richten zich op de belangen van mensen met een niet-Nederlandse afkomst, of juist weer op die van mensen die zich door laatstgenoemden in het gedrang voelen.
Je zou haast denken dat het tijd wordt voor een partij die zich sterk maakt voor mensen, een partij die niets anders beoogt dan het scheppen van recht voor mensen: rechten die de in de grondwet geformuleerde algemene (mensen)rechten uitwerken, instrumenteel maken en waarborgen.
Die denkbeeldige partij wil dan niets anders dan ons democratisch stelsel een wezenlijke en urgent noodzakelijke upgrade geven: in de democratie zou het moeten gaan om rechten die ieder mens, ongeacht zijn belangen, toekomen.

Belangen van economische aard (van bedrijven, bedrijfstakken) horen niet in het gebied van het recht maar in dat van de economie behartigd te worden, daar worden zij ‘uitgebalanceerd’ ten opzichte van de belangen van andere (groepen) betrokkenen.
Belangen van wereldbeschouwelijke, religieuze, ideologische of kunstzinnige aard profileren zich in het geestesleven: daar heeft ieder de ruimte zich te laten zien en de gelegenheid gehoor te vinden.

In het rechtsleven wordt permanent aan een stelsel van rechten gevormd, rechten die vrij van deelbelangen tot stand moeten komen. Wanneer het, bijvoorbeeld, gaat om recht op onderwijs, recht op een oudedagsvoorziening, recht op woonruimte, recht op werk, recht op gezondheidszorg, recht op een gezond leefmilieu (allemaal zaken die ieder mens aangaan), gaat het om rechten waarvoor specifieke belangen (van onderneming A, organisatie B, bedrijfstak C, beroepsgroep D) moeten wijken.
Want wat betreft de vraagstukken die in het rechtsleven thuis horen, is het geestesleven relevant als bron van gezichtspunten en inzichten die het rechtsgevoel en rechtsbewustzijn van de individuele, in het rechtsleven mee-besluitende burger kunnen verrijken; en is het economisch leven relevant als de bron van geld (waarde) die de in het rechtsleven gevormde rechten op een of andere wijze materieel mogelijk zal moeten maken.
De huidige lobby-praktijk is een belemmering voor de noodzakelijke verdere ontwikkeling van de democratie en een aantasting van de mondigheid van de individuele burger.
(John Hogervorst)
Dit artikel verscheen in Driegonaal, jrg,35, nr.3/4

Hoe bevrijden we de landbouw…

uit de wurggreep van de economie?

Een artikel van Mouringh Boeke uit een oud nummer van Driegonaal (voorjaar 1992). Die oude nummers blijken ook over actuele vraagstukken nog wezenlijke inhoud te bevatten…

In onze huidige samenleving speelt het economische leven de hoofdrol met daarin als kerngebeuren de verkoop van waren, wat dan plaats vindt door waren tegen geld – als representant van andere waren – te ruilen. Daarbij is ons economisch leven op concurrentie afgestemd – dat wil zeggen dat ten koste van de gehele economie een voortdurende strijd bestaat tussen deelactiviteiten en individuele bedrijven en mensen. Voor de economie als geheel betekent dit een permanente gigantische verspilling van krachten.

Ook landbouwproducten zijn waren, net zo goed als geestelijke prestaties. Het is echter zeer wel mogelijk en ook noodzakelijk te onderzoeken of er geen wezenlijk onderscheid bestaat tussen een industrieel product, een landbouwproduct en een geestelijke prestatie. Alle drie dienen zij als waar een geldelijke tegenprestatie te hebben, doch het grote verschil ligt in de rol van de economie bij het tot stand komen van de waar als zodanig. Bij de eerste groep – industriële producten: bijvoorbeeld een kachel – geldt dat zij geheel naar de wensen van de gebruikers gemaakt kunnen worden, en, willen ze voldoen, ook zo gemaakt moeten worden. Bij de tweede groep – geestelijke prestaties: bijvoorbeeld dat het onderwijs elk jaar zoveel mensen aflevert met bepaalde vermogens en vaardigheden – is dat reeds totaal anders. De vraag namelijk wat binnen het onderwijs ontwikkeld moet worden, mag niet door wensen omtrent het “eindproduct” bepaald worden. De mens is geen gebruiksvoorwerp, al wordt hij nu, juist ook in het onderwijs, wel zo beschouwd. En de vraag wat in het onderwijs gebeuren moet is een vraag waarin geen enkele inmenging vanuit de economie toelaatbaar is. De grote vraag is nu of dat niet voor landbouwproducten hetzelfde geldt; namelijk dat ze pas als waar gezien mogen worden nadat ze geproduceerd zijn. De gehele situatie nu toont aan dat dit zo is: landbouw is primair het verzorgen van de aarde en dat dit ook nog producten oplevert is een (gelukkige) bijkomstigheid. Landbouw mag niet door de economie beïnvloed worden; wel moeten de producten geconsumeerd en daartoe gedistribueerd worden. Dit betekent dat de consument af moet wachten wat de landbouw voortbrengt, zoals de gemeenschap ook af moet wachten welke vermogens en vaardigheden in het onderwijs ontwikkeld worden die de nieuwe volwassenen meebrengen. En moet beseffen dat daar niets kan worden afgedwongen zonder het gehele proces geweld aan te doen.

Het economisch leven nader beschouwd

Het huidige economische leven berust op concurrentie en op zogenaamde winstmaximalisatie en wordt door degenen die erin staan beschreven als een slagveld. Bij de industriële productie geldt dat de kapitaalgoederen – de productiemiddelen – een zeer begrensde levensduur hebben: in betrekkelijk korte tijd zijn investeringen technisch achterhaald en moeten de productiemiddelen door nieuwe vervangen worden. Een productiemiddel wordt dus kort intensief gebruikt en dan: weg ermee! Ze zijn tenslotte ook door mensen gemaakt en vervangbaar. Waar de landbouw van het economisch leven slechts een zeer klein deel uitmaakt en niet vanuit een andere denkwijze wordt beoefend, is het onvermijdelijk dat de landbouw steeds meer industrie wordt en de aarde, het productiemiddel dat reeds eeuwenoud is en nog eeuwen mee moet,  wordt uitgebuit. Roofbouw is thans systeem. Zo zeer zelfs dat steeds duidelijker wordt dat de aarde als zodanig gevaar loopt verwoest te worden en dat ingrijpen noodzakelijk is. Dat kan alleen vanuit zuivere begrippen. De begrippen landbouw en alternatieve landbouw zijn dat niet. Wat thans landbouw heet zou consequent “pseudo-landbouw” of “industriële roofbouw ter verkrijging van pseudo-voedsel” genoemd moeten worden; wat thans alternatieve landbouw genoemd wordt zal ik eenvoudig landbouw noemen. Daarmee begint namelijk pas (weer) wat werkelijke landbouw is. De eerste vraag is dan: hoe roepen wij een situatie in het leven die de boer in staat stelt landbouwer te worden; dat wil zeggen dat hij landbouw kan beoefenen zonder enige druk vanuit de economie. Met als uitsluitende maatstaf wat de aarde aan bewerking vraagt. De tweede vraag is dan hoe wij ons de handel in landbouwproducten kunnen voorstellen binnen de huidige economie? Het is per slot duidelijk dat alle landbouwproducten geconsumeerd moeten kunnen worden wanneer er ook maar ergens een vraag naar is.

Landbouwers

Bij boeren hoort een erf en grond waarvoor de boer verantwoordelijk is en waarover hij zeggenschap heeft. Die zeggenschap mag niet berusten op het klassieke particuliere eigendomsrecht. Integendeel: de (bloot)eigendom van grond – van alle landbouwgrond – zou geneutraliseerd moeten worden; dat wil zeggen dat grond niet verkocht of bezwaard kan worden en in “eigendom” is bij een instelling die er zelf niet mee kan/mag werken, die er uitsluitend op kan toezien en waarborgt dat de juiste procedures gevolgd worden bij het toekennen van grond aan boeren. Men kan zich één of meer stichtingen voorstellen die in de statuten opgenomen hebben dat de grond plus erf en boerderij aan boeren ter beschikking wordt gesteld (vrij van pacht) waarbij de grond ogenblikkelijk terug genomen wordt wanneer kunstmest of bestrijdingsmiddelen gebruikt worden, niet in de eigen mestbehoefte voorzien wordt of monoculturen ontstaan. Houdt iemand zich daar niet aan dan wordt het vertrouwen opgezegd. Hoe komt de boer aan zeggenschap op grond van vertrouwen? Het mogen beslist niet de beheerders van de grond zijn (de stichtingsbesturen of de ambtelijke instellingen), die bepalen wie als boer een stuk land toegewezen krijgt. Een onafhankelijk orgaan (of meerdere regionale onafhankelijke organen), bestaande uit boeren die allen om hun vakkennis geacht worden, dient daarover te beslissen. Een dergelijk orgaan van vrije boeren kan op persoonlijke titel met gezag oordelen over de capaciteiten van de gegadigden en kan beslissingen nemen. Bij gebleken onvermogen of gebrek aan inzet kan datzelfde orgaan ook besluiten iemand “zijn” grond en erf weer te ontzeggen. Is het dan niet terecht zowel ten opzichte van de aarde zelf als ten aanzien van de mensengemeenschap dat grond alleen aan diegenen toevertrouwd wordt die zich daartoe waardig tonen? Bij dit alles kan men zich goed voorstellen dat een boer die ermee wil ophouden zelf zijn opvolgers aanwijst; hij is immers zelf ook ter zake kundig en zal “zijn” bedrijf een goed hart toedragen en graag in goede handen zien. In een dergelijk geval zal hij ook een eigen zoon of dochter kunnen aanwijzen; bij de genoemde door de stichting of staat gestelde voorwaarden en bij de competentie van het genoemde beroepsorgaan en onder de nog te beschrijven andere voorwaarden zullen daardoor geen misbruik of wantoestanden ontstaan.

Tot zover hebben we wel de grond veilig gesteld maar nog geenszins de boer verlost uit de klauwen van de economie; in tegendeel: wanneer wij alleen deze maatregelen zouden nemen zouden de producten wellicht niet kunnen concurreren met die uit de pseudolandbouw elders.

De handel

De volgende radicale stap is nu te bepalen – in het gebruikerscontract met de grondbeheerstichting – dat de producten van het bedrijf geen eigendom van de individuele boer zijn maar van een speciaal daartoe op te richten handelsorganisatie die zich verplicht alle producten op afroep op te halen (het is overigens zaak vervoer en handel afzonderlijk te laten opereren) en die ze vervolgens onder vermelding van de herkomst in de handel brengt, dat wil zeggen zo duur mogelijk verkoopt. In het “zo duur mogelijk” zit de concurrentie met andere prijzen. Landbouwproducten zijn derhalve, omdat ze geen inkoopsprijs kennen, altijd concurrerend. (Zowel met pseudolandbouwproducten als met landbouwproducten van elders die “gedumpt” worden. Hier liggen nog vragen en wel omdat de handelaar geen inkoopsprijs heeft moeten betalen en daardoor alleen zijn eigen onkosten en inkomen – terug – te verdienen heeft.) En worden derhalve altijd geconsumeerd! Wanneer nu die handelsorganisatie zo opgezet wordt dat de handeldrijvenden en vervoerders een inkomensbegrenzing kennen (zij stellen van tevoren hun inkomen vast en strijken niet automatisch de winst op – in overleg met de boerenorganisaties) zal allicht een overschot ontstaan en dat overschot is nodig omdat de boeren nog geen inkomen hebben en nog geen (on)kostenvergoeding (voor investeringen, machines, preparaten, etc.) hebben genoten. Het zou bovendien niet terecht zijn de handel het volle voordeel te gunnen van een inkoopprijs van nihil.

Terug naar de landbouwers

De landbouwers zorgen voor een orgaan dat met de handel de inkomensbegrenzing en andere voorwaarden afspreekt. En dat de “overschotten” opvangt. Uit die overschotten moet in ieder geval een deel van het inkomen en de bedrijfskosten van de boer komen. Het is duidelijk dat de gemeenschap niet tolereert dat niet iedere boer een goed inkomen – een inkomen dat past bij dit uiterst verantwoordelijke en intensieve beroep – heeft.

De gemeenschap

Indien – en dat zal in de huidige toestand zeker het geval zijn – de overschotten te weinig opleveren, past de gemeenschap bij uit algemene middelen. Wat erop toegelegd zal moeten worden zal in ieder geval niet meer dan een fractie zijn van wat ons aan kosten te wachten staat als de huidige systematische vergiftiging en verwoesting van de aarde doorgaat. Sterker nog: onderwijs en volksgezondheid zullen al op korte termijn vergeleken met de huidige situatie dusdanige besparingen boeken dat de inkomensverschaffing aan de landbouwers uit algemene middelen zijn gewicht in goud waard zal blijken. (Op kleinere schaal kunnen het consumenten-gemeenschappen zijn die langs de weg van de fiscale aftrekbare giften ditzelfde kunnen bewerken.) Het is om dezelfde reden onjuist te stellen dat wie een landbouwproduct verkiest boven een pseudolandbouwproduct daarvoor dan maar meer betalen moet. Het pseudolandbouwproduct is namelijk “goedkoper” omdat kosten op de gemeenschap afgewenteld worden.

Wat zo bewerkt wordt

Door de voorgestelde opzet is een definitieve scheiding tussen landbouw en handel bewerkstelligd enerzijds en anderzijds gegarandeerd dat de grond als productiemiddel een totaal andere behandeling krijgt dan de door mensen gemaakte productiemiddelen. De boer kan zich bij zijn beroepsuitoefening volledig richten op de aarde en daarbij weten dat zijn producten hun afzet zullen vinden. Hij zal in zekere zin afstand moeten doen van het ondernemerschap – zou men hem dit ondernemerschap in concurrerende zin willen laten, dan zou daarmee de dwang vanuit de economie in stand blijven en daarmee het motief om oneigenlijk te handelen.

Geen surrogaat

“Vóór alles ligt het mij vandaag na aan het hart om u een en ander te vertellen met het oog op wat vanuit de impulsen van onze tijd, vanuit de nood van onze tijd, tegen de mensen moet worden gezegd in een geschrift van mij over het sociale vraagstuk, dat in de komende dagen zal verschijnen. Dit geschrift zal heten De kernpunten van het sociale vraagstuk in de werkelijke eisen van het leven nu en in de toekomst. Uit de beschouwingen van de afgelopen dagen, die eigenlijk slechts een voortzetting en een uitbreiding zijn van de beschouwingen die wij hier sinds vele weken hebben gehouden, zult u hebben opgemaakt dat hetgeen ik juist met betrekking tot het sociale vraagstuk zal moeten zeggen, niet een soort zijstroming is naast dat wat in ons hele geesteswetenschappelijke streven leeft, maar dat wij het inderdaad zó moeten zien dat dit geesteswetenschappelijk streven juist door de hem eigen aard, begrip ontwikkelt voor de behoeften en de eisen van het heden en de naaste toekomst, en dat het nu eenmaal zo is dat het juist voor het karakter van onze tijd kenmerkend is, dat de nood van de tijd alleen radicaal kan worden opgelost vanuit geestelijke impulsen. Al het andere dat zou worden geprobeerd – ik heb dit al vanuit de meest verschillende gezichtspunten benadrukt – zou toch hoogstens een surrogaat kunnen zijn. Ook het uiterlijke dat zou moeten worden gedaan, zal van een zodanige natuur moeten zijn dat, ik zal niet zeggen een bepaalde vorm van geesteswetenschap, maar dat een geestesleven dat naar de werkelijke geest streeft, binnen de sociale ordening mogelijk wordt.”
(Rudolf Steiner in een voordracht van 14 april 1919, GA 190)

[Opgenomen in: Driegonaal, jrg.35, nr.1/2, april 2019]

Bij de ontluistering van de democratie

Circa 10x per jaar verspreiden we onze E-Nieuwsbrief. Rechtsonder op deze pagina kunt u zich inschrijven en ontvangt u de nieuwsbrief in het vervolg ook. Onderstaand artikel was opgenomen in de laatste Nieuwsbrief.

Een commissie onder leiding van oud-politicus Johan Remkes heeft zich gebogen over de vraag hoe het is gesteld met ons parlementair democratisch systeem. Met een lijst van ruim 80 aanbevelingen probeert de commissie haar bevinden handen en voeten te geven. Er mag en kan wel wat worden verbeterd aan onze democratie, oordeelt de commissie. Dat kunnen wij wel met de commissie eens zijn.
De snelle opkomst politieke partijen met populistische trekjes, gepaard met het luidruchtige ongenoegen onder een deel van de kiezers én de stille matheid bij anderen, wijst erop dat kiezers hun vertrouwen in het systeem maar mondjesmaat kunnen of willen geven. De dubbelheid van ‘de politiek’ die zich overal mee bemoeit en tegelijkertijd vaak schrijnend weinig voor elkaar krijgt (het gaat dan in veel gevallen om thema’s waar politiek en overheid ook gewoon van weg zou moeten blijven) en natuurlijk (laten we dat beestje ook maar bij de naam noemen) het opportunisme, de ongeloofwaardigheid en het gebrek aan visie bij vele politici, dragen niet echt bij aan de veronderstelling dat onze democratie in goeden doen is.

Zo is het niet heel moeilijk om een vermoeden uit te spreken over hoe het met het werkstuk van Remkes verder zal gaan. Van de ruim 80 aanbevelingen worden er straks twee of drie bediscussieerd; waarschijnlijk het idee van een bindend correctief referendum en het voorstel dat de kiezer straks op een politieke partij én op een premierskandidaat kan gaan stemmen. Voor deze twee of drie punten wordt (in het parlement) geen meerderheid gevonden; misschien komt men wel op de gedachte nog eens een commissie te vormen die zich over de meest besproken aanbevelingen zal buigen – en daarna is er weer de orde van de dag. Business as usual. De dames en heren van de commissie worden vriendelijk bedankt.
Is dit cynisch? Of is dit zoals het zal gaan?
Misschien stellen we de vraag anders: wie verwacht dat een ernstig zieke chronische patiënt zichzelf geneest?

De ontluisterende situatie waarin de patiënt zich bevindt werd in december nog eens duidelijk uit een inkijkje dat Ankie Broekers-Knol (in een interview in NRC van 18/12/18) gaf over de dagelijkse praktijk in politiek Den Haag. Broekers-Knol (VVD) is al geruime tijd lid van de eerste kamer en tegenwoordig zelfs kamervoorzitter. Het interview handelt voornamelijk over de Wet strafvermindering en de uitvoering van die wet. De wet werd in 2005 aangenomen – Broekers-Knol was er destijds ook al bij. Zij wist toen al dat de wet tot ongewenste praktijken zou leiden, maar ja… Deze wet gaf het Openbaar Ministerie de bevoegdheid om (lichte) vergrijpen te berechten en te bestraffen. U weet, de eigenlijke taak van het OM is ervoor te zorgen dat wetsovertreders worden vervolgd. Het OM vervolgt, de rechterlijke macht spreekt recht. De wet kwam natuurlijk, het geldt voor alle wetten, met de beste bedoelingen tot stand (de rechterlijke macht zou ermee worden ontlast, en er werd tegelijkertijd bezuinigd). Dertien jaar later blijkt dat bijna 300.000 burgers zonder dat zij er erg in hadden een strafblad hebben: zij zijn ingegaan op een ‘strafbeschikking’ van het OM.
Broekers-Knol: “Die burgers hebben een strafblad! Dat is heel fundamenteel. En vervelend. Ze begrijpen niet wat ze overkomt, als ze zo’n brief krijgen. Ik zou hopen dat ik het zelf op tijd zou begrijpen als ik een strafbeschikking zou krijgen – ik heb  jarenlang als jurist gewerkt. De gemiddelde burger, ook de opgeleide, denkt: o, het zal wel.”

Bovendien wordt aangenomen dat één op de drie gevallen door de rechter anders zou worden beoordeeld: de rechter zou in die gevallen tot vrijspraak hebben besloten. Misschien niet zo verwonderlijk, want:
NRC: “Wij kwamen een recente vacature tegen van het OM, dat juridisch studenten zocht om zelfstandig beschikkingen uit te vaardigen.”
Zo wordt recht spreken en de strafmaat bepalen een aangelegenheid waarmee studenten aan een vakantiebaantje worden geholpen. En hebben naar we mogen aannemen 100.000 mensen ten onrechte een strafblad.

Goed, een abominabele wet dus, die nooit aangenomen had mogen worden. Broekers-Knol zag het 13 jaar geleden al aankomen: “Als ik het in mijn eentje kon beslissen had ik nee gezegd tegen strafbeschikking.”
Maar zij mocht het niet in haar eentje zeggen, en dus stemde zij… ‘ja’.
“Op een gegeven moment heb je alle bezwaren geuit, heeft de minister antwoorden gegeven en wordt het besproken in de fractie. Door toezeggingen word je omgepraat. Dan kun je als een donquichot alleen nog roepen: ‘Ik niet, ik niet’.”
(…)
NRC: “Waarom zei de fractie ja? … U vond de strafbeschikking in strijd met de Grondwet. Heeft een senator dan niet de plicht tegen te stemmen?”
Broekers-Knol: “Donner (destijds minister van justitie – red.) legde uit dat het niet zo was. Uiteindelijk zeg je; ‘Nou ja, laten we de minister the benefit of the doubt geven. In dit geval blijkt dat volstrekt ten onrechte.

Is dit nou een incident – de manier waarop deze wet is ingevoerd?
NRC: “Heeft u achteraf spijt van uw steun?
Broekers-Knol: ‘Nou spijt … luister eens, dan moet je de politiek niet in gaan, want er gebeuren voortdurend zulke dingen.’
Als ze zich de wetten voor de geest haalt die ze tijdens haar zeventien jaar in de senaat zag, neemt de vertwijfeling zichtbaar toe. ‘Er zijn er best wat waarvan je van tevoren weet: dat gaat gewoon niet goed. En intussen draait de beleidsmachine maar door.’ Wetgeving rond grote stelselwijzigingen zat volgens de senaat vaak vol problemen. Ze noemt de Mediawet, de Politiewet, de Donorwet, de Wet herziening strafzaken. Allemaal werden ze aangenomen.
‘We vragen hier ministers het hemd van het lijf, en we kunnen ze in het debat fileren. Maar uiteindelijk komt de politiek om de hoek kijken. Je partij zit in de coalitie, er bestaat een risico dat de tent gaat vallen. Willen we het zo ver laten komen? Dat moet je je realiseren.’
Waarom gaat het zo?
“Ik zit nooit bij die topjongens, in de ministerraad of bij het coalitieberaad. Maar daar is kennelijk een dynamiek van: zo wil ik het, en zo gaan we het doen.’”

Ja, het gaat niet zo goed met de democratie. Kan het nog erger?
Zéker wel!

NRC: “Zou de senaat een slechte wet niet gewoon moeten afstemmen?
Broekers-Knol: ‘Dat gebeurt wel eens! Mijn eigen partijgenoot Ruud Luchtenveld had een initiatiefwet ingediend voor echtscheiding zonder rechter. Echt een slecht voorstel. Ik vroeg aan mijn VVD-collega’s in de tweede kamer waarom ze het in vredesnaam hadden laten passeren. We vonden het zo zielig voor Ruud, zeiden ze.’”

Ja, u leest het goed. De tweede kamer had deze wet al behandeld en aangenomen. De VVD-fractie, in wier midden dit stuk broddelwerk geboren werd, had het broddelwerk als broddelwerk herkend – maar stemde vóór de wet. Want anders…. was het zo zielig voor Ruud.

Wij hebben een parlement waarin broddelwerk serieus besproken, zelfs wet kan worden. Wij hebben bergen onderzoek van door het parlement ingestelde wijze commissies. Maar de democratie blijft nog even uit de buurt.
Dat kan ook niet anders zolang er nauwelijks bewustzijn leeft voor het gegeven dat democratie zich baseert op de mondigheid van de burger; dat deze mondigheid ernstig genomen wordt wanneer slechts díe zaken in het parlement behandeld worden waarover elke mondige burger oordeelsbekwaam is; wat betekent dat alleen zaken die algemeen-menselijk zijn in het gebied van democratie en politiek thuishoren.

Dat zijn bijvoorbeeld vraagstukken als: welke rechten kennen wij toe aan mensen die ziek zijn, of gehandicapt; welke rechten stellen wij in voor ouderen; welke rechten hebben wetsovertreders; welke grenzen stellen wij aan de economie op het gebied van het milieu; hoe verdelen wij de hoeveelheid arbeid die gebeuren moet; wat beschouwen wij als een minimun bestaansniveau; welke rechten kennen wij elkaar toe op het gebied van onderwijs, van gezondheidszorg…

Dat zijn de vragen waarover het in de democratie zou moeten gaan; veel van de andere zaken die nu in het parlement besproken worden horen daar niet thuis.
Lang geleden publiceerden wij in Driegonaal een artikel waarin werd betoogd dat er een einde zou moeten komen aan het bestaan van politieke partijen. We gaan het nog eens terugzoeken.
(jh)

Nieuwsbrief

De Driegonaal-nieuwsbrief verschijnt onregelmatig. Registreer hier!



Sociale netwerken