Hoe bevrijden we de landbouw…

uit de wurggreep van de economie?

Een artikel van Mouringh Boeke uit een oud nummer van Driegonaal (voorjaar 1992). Die oude nummers blijken ook over actuele vraagstukken nog wezenlijke inhoud te bevatten…

In onze huidige samenleving speelt het economische leven de hoofdrol met daarin als kerngebeuren de verkoop van waren, wat dan plaats vindt door waren tegen geld – als representant van andere waren – te ruilen. Daarbij is ons economisch leven op concurrentie afgestemd – dat wil zeggen dat ten koste van de gehele economie een voortdurende strijd bestaat tussen deelactiviteiten en individuele bedrijven en mensen. Voor de economie als geheel betekent dit een permanente gigantische verspilling van krachten.

Ook landbouwproducten zijn waren, net zo goed als geestelijke prestaties. Het is echter zeer wel mogelijk en ook noodzakelijk te onderzoeken of er geen wezenlijk onderscheid bestaat tussen een industrieel product, een landbouwproduct en een geestelijke prestatie. Alle drie dienen zij als waar een geldelijke tegenprestatie te hebben, doch het grote verschil ligt in de rol van de economie bij het tot stand komen van de waar als zodanig. Bij de eerste groep – industriële producten: bijvoorbeeld een kachel – geldt dat zij geheel naar de wensen van de gebruikers gemaakt kunnen worden, en, willen ze voldoen, ook zo gemaakt moeten worden. Bij de tweede groep – geestelijke prestaties: bijvoorbeeld dat het onderwijs elk jaar zoveel mensen aflevert met bepaalde vermogens en vaardigheden – is dat reeds totaal anders. De vraag namelijk wat binnen het onderwijs ontwikkeld moet worden, mag niet door wensen omtrent het “eindproduct” bepaald worden. De mens is geen gebruiksvoorwerp, al wordt hij nu, juist ook in het onderwijs, wel zo beschouwd. En de vraag wat in het onderwijs gebeuren moet is een vraag waarin geen enkele inmenging vanuit de economie toelaatbaar is. De grote vraag is nu of dat niet voor landbouwproducten hetzelfde geldt; namelijk dat ze pas als waar gezien mogen worden nadat ze geproduceerd zijn. De gehele situatie nu toont aan dat dit zo is: landbouw is primair het verzorgen van de aarde en dat dit ook nog producten oplevert is een (gelukkige) bijkomstigheid. Landbouw mag niet door de economie beïnvloed worden; wel moeten de producten geconsumeerd en daartoe gedistribueerd worden. Dit betekent dat de consument af moet wachten wat de landbouw voortbrengt, zoals de gemeenschap ook af moet wachten welke vermogens en vaardigheden in het onderwijs ontwikkeld worden die de nieuwe volwassenen meebrengen. En moet beseffen dat daar niets kan worden afgedwongen zonder het gehele proces geweld aan te doen.

Het economisch leven nader beschouwd

Het huidige economische leven berust op concurrentie en op zogenaamde winstmaximalisatie en wordt door degenen die erin staan beschreven als een slagveld. Bij de industriële productie geldt dat de kapitaalgoederen – de productiemiddelen – een zeer begrensde levensduur hebben: in betrekkelijk korte tijd zijn investeringen technisch achterhaald en moeten de productiemiddelen door nieuwe vervangen worden. Een productiemiddel wordt dus kort intensief gebruikt en dan: weg ermee! Ze zijn tenslotte ook door mensen gemaakt en vervangbaar. Waar de landbouw van het economisch leven slechts een zeer klein deel uitmaakt en niet vanuit een andere denkwijze wordt beoefend, is het onvermijdelijk dat de landbouw steeds meer industrie wordt en de aarde, het productiemiddel dat reeds eeuwenoud is en nog eeuwen mee moet,  wordt uitgebuit. Roofbouw is thans systeem. Zo zeer zelfs dat steeds duidelijker wordt dat de aarde als zodanig gevaar loopt verwoest te worden en dat ingrijpen noodzakelijk is. Dat kan alleen vanuit zuivere begrippen. De begrippen landbouw en alternatieve landbouw zijn dat niet. Wat thans landbouw heet zou consequent “pseudo-landbouw” of “industriële roofbouw ter verkrijging van pseudo-voedsel” genoemd moeten worden; wat thans alternatieve landbouw genoemd wordt zal ik eenvoudig landbouw noemen. Daarmee begint namelijk pas (weer) wat werkelijke landbouw is. De eerste vraag is dan: hoe roepen wij een situatie in het leven die de boer in staat stelt landbouwer te worden; dat wil zeggen dat hij landbouw kan beoefenen zonder enige druk vanuit de economie. Met als uitsluitende maatstaf wat de aarde aan bewerking vraagt. De tweede vraag is dan hoe wij ons de handel in landbouwproducten kunnen voorstellen binnen de huidige economie? Het is per slot duidelijk dat alle landbouwproducten geconsumeerd moeten kunnen worden wanneer er ook maar ergens een vraag naar is.

Landbouwers

Bij boeren hoort een erf en grond waarvoor de boer verantwoordelijk is en waarover hij zeggenschap heeft. Die zeggenschap mag niet berusten op het klassieke particuliere eigendomsrecht. Integendeel: de (bloot)eigendom van grond – van alle landbouwgrond – zou geneutraliseerd moeten worden; dat wil zeggen dat grond niet verkocht of bezwaard kan worden en in “eigendom” is bij een instelling die er zelf niet mee kan/mag werken, die er uitsluitend op kan toezien en waarborgt dat de juiste procedures gevolgd worden bij het toekennen van grond aan boeren. Men kan zich één of meer stichtingen voorstellen die in de statuten opgenomen hebben dat de grond plus erf en boerderij aan boeren ter beschikking wordt gesteld (vrij van pacht) waarbij de grond ogenblikkelijk terug genomen wordt wanneer kunstmest of bestrijdingsmiddelen gebruikt worden, niet in de eigen mestbehoefte voorzien wordt of monoculturen ontstaan. Houdt iemand zich daar niet aan dan wordt het vertrouwen opgezegd. Hoe komt de boer aan zeggenschap op grond van vertrouwen? Het mogen beslist niet de beheerders van de grond zijn (de stichtingsbesturen of de ambtelijke instellingen), die bepalen wie als boer een stuk land toegewezen krijgt. Een onafhankelijk orgaan (of meerdere regionale onafhankelijke organen), bestaande uit boeren die allen om hun vakkennis geacht worden, dient daarover te beslissen. Een dergelijk orgaan van vrije boeren kan op persoonlijke titel met gezag oordelen over de capaciteiten van de gegadigden en kan beslissingen nemen. Bij gebleken onvermogen of gebrek aan inzet kan datzelfde orgaan ook besluiten iemand “zijn” grond en erf weer te ontzeggen. Is het dan niet terecht zowel ten opzichte van de aarde zelf als ten aanzien van de mensengemeenschap dat grond alleen aan diegenen toevertrouwd wordt die zich daartoe waardig tonen? Bij dit alles kan men zich goed voorstellen dat een boer die ermee wil ophouden zelf zijn opvolgers aanwijst; hij is immers zelf ook ter zake kundig en zal “zijn” bedrijf een goed hart toedragen en graag in goede handen zien. In een dergelijk geval zal hij ook een eigen zoon of dochter kunnen aanwijzen; bij de genoemde door de stichting of staat gestelde voorwaarden en bij de competentie van het genoemde beroepsorgaan en onder de nog te beschrijven andere voorwaarden zullen daardoor geen misbruik of wantoestanden ontstaan.

Tot zover hebben we wel de grond veilig gesteld maar nog geenszins de boer verlost uit de klauwen van de economie; in tegendeel: wanneer wij alleen deze maatregelen zouden nemen zouden de producten wellicht niet kunnen concurreren met die uit de pseudolandbouw elders.

De handel

De volgende radicale stap is nu te bepalen – in het gebruikerscontract met de grondbeheerstichting – dat de producten van het bedrijf geen eigendom van de individuele boer zijn maar van een speciaal daartoe op te richten handelsorganisatie die zich verplicht alle producten op afroep op te halen (het is overigens zaak vervoer en handel afzonderlijk te laten opereren) en die ze vervolgens onder vermelding van de herkomst in de handel brengt, dat wil zeggen zo duur mogelijk verkoopt. In het “zo duur mogelijk” zit de concurrentie met andere prijzen. Landbouwproducten zijn derhalve, omdat ze geen inkoopsprijs kennen, altijd concurrerend. (Zowel met pseudolandbouwproducten als met landbouwproducten van elders die “gedumpt” worden. Hier liggen nog vragen en wel omdat de handelaar geen inkoopsprijs heeft moeten betalen en daardoor alleen zijn eigen onkosten en inkomen – terug – te verdienen heeft.) En worden derhalve altijd geconsumeerd! Wanneer nu die handelsorganisatie zo opgezet wordt dat de handeldrijvenden en vervoerders een inkomensbegrenzing kennen (zij stellen van tevoren hun inkomen vast en strijken niet automatisch de winst op – in overleg met de boerenorganisaties) zal allicht een overschot ontstaan en dat overschot is nodig omdat de boeren nog geen inkomen hebben en nog geen (on)kostenvergoeding (voor investeringen, machines, preparaten, etc.) hebben genoten. Het zou bovendien niet terecht zijn de handel het volle voordeel te gunnen van een inkoopprijs van nihil.

Terug naar de landbouwers

De landbouwers zorgen voor een orgaan dat met de handel de inkomensbegrenzing en andere voorwaarden afspreekt. En dat de “overschotten” opvangt. Uit die overschotten moet in ieder geval een deel van het inkomen en de bedrijfskosten van de boer komen. Het is duidelijk dat de gemeenschap niet tolereert dat niet iedere boer een goed inkomen – een inkomen dat past bij dit uiterst verantwoordelijke en intensieve beroep – heeft.

De gemeenschap

Indien – en dat zal in de huidige toestand zeker het geval zijn – de overschotten te weinig opleveren, past de gemeenschap bij uit algemene middelen. Wat erop toegelegd zal moeten worden zal in ieder geval niet meer dan een fractie zijn van wat ons aan kosten te wachten staat als de huidige systematische vergiftiging en verwoesting van de aarde doorgaat. Sterker nog: onderwijs en volksgezondheid zullen al op korte termijn vergeleken met de huidige situatie dusdanige besparingen boeken dat de inkomensverschaffing aan de landbouwers uit algemene middelen zijn gewicht in goud waard zal blijken. (Op kleinere schaal kunnen het consumenten-gemeenschappen zijn die langs de weg van de fiscale aftrekbare giften ditzelfde kunnen bewerken.) Het is om dezelfde reden onjuist te stellen dat wie een landbouwproduct verkiest boven een pseudolandbouwproduct daarvoor dan maar meer betalen moet. Het pseudolandbouwproduct is namelijk “goedkoper” omdat kosten op de gemeenschap afgewenteld worden.

Wat zo bewerkt wordt

Door de voorgestelde opzet is een definitieve scheiding tussen landbouw en handel bewerkstelligd enerzijds en anderzijds gegarandeerd dat de grond als productiemiddel een totaal andere behandeling krijgt dan de door mensen gemaakte productiemiddelen. De boer kan zich bij zijn beroepsuitoefening volledig richten op de aarde en daarbij weten dat zijn producten hun afzet zullen vinden. Hij zal in zekere zin afstand moeten doen van het ondernemerschap – zou men hem dit ondernemerschap in concurrerende zin willen laten, dan zou daarmee de dwang vanuit de economie in stand blijven en daarmee het motief om oneigenlijk te handelen.

Geen surrogaat

“Vóór alles ligt het mij vandaag na aan het hart om u een en ander te vertellen met het oog op wat vanuit de impulsen van onze tijd, vanuit de nood van onze tijd, tegen de mensen moet worden gezegd in een geschrift van mij over het sociale vraagstuk, dat in de komende dagen zal verschijnen. Dit geschrift zal heten De kernpunten van het sociale vraagstuk in de werkelijke eisen van het leven nu en in de toekomst. Uit de beschouwingen van de afgelopen dagen, die eigenlijk slechts een voortzetting en een uitbreiding zijn van de beschouwingen die wij hier sinds vele weken hebben gehouden, zult u hebben opgemaakt dat hetgeen ik juist met betrekking tot het sociale vraagstuk zal moeten zeggen, niet een soort zijstroming is naast dat wat in ons hele geesteswetenschappelijke streven leeft, maar dat wij het inderdaad zó moeten zien dat dit geesteswetenschappelijk streven juist door de hem eigen aard, begrip ontwikkelt voor de behoeften en de eisen van het heden en de naaste toekomst, en dat het nu eenmaal zo is dat het juist voor het karakter van onze tijd kenmerkend is, dat de nood van de tijd alleen radicaal kan worden opgelost vanuit geestelijke impulsen. Al het andere dat zou worden geprobeerd – ik heb dit al vanuit de meest verschillende gezichtspunten benadrukt – zou toch hoogstens een surrogaat kunnen zijn. Ook het uiterlijke dat zou moeten worden gedaan, zal van een zodanige natuur moeten zijn dat, ik zal niet zeggen een bepaalde vorm van geesteswetenschap, maar dat een geestesleven dat naar de werkelijke geest streeft, binnen de sociale ordening mogelijk wordt.”
(Rudolf Steiner in een voordracht van 14 april 1919, GA 190)

[Opgenomen in: Driegonaal, jrg.35, nr.1/2, april 2019]

Bij de ontluistering van de democratie

Circa 10x per jaar verspreiden we onze E-Nieuwsbrief. Rechtsonder op deze pagina kunt u zich inschrijven en ontvangt u de nieuwsbrief in het vervolg ook. Onderstaand artikel was opgenomen in de laatste Nieuwsbrief.

Een commissie onder leiding van oud-politicus Johan Remkes heeft zich gebogen over de vraag hoe het is gesteld met ons parlementair democratisch systeem. Met een lijst van ruim 80 aanbevelingen probeert de commissie haar bevinden handen en voeten te geven. Er mag en kan wel wat worden verbeterd aan onze democratie, oordeelt de commissie. Dat kunnen wij wel met de commissie eens zijn.
De snelle opkomst politieke partijen met populistische trekjes, gepaard met het luidruchtige ongenoegen onder een deel van de kiezers én de stille matheid bij anderen, wijst erop dat kiezers hun vertrouwen in het systeem maar mondjesmaat kunnen of willen geven. De dubbelheid van ‘de politiek’ die zich overal mee bemoeit en tegelijkertijd vaak schrijnend weinig voor elkaar krijgt (het gaat dan in veel gevallen om thema’s waar politiek en overheid ook gewoon van weg zou moeten blijven) en natuurlijk (laten we dat beestje ook maar bij de naam noemen) het opportunisme, de ongeloofwaardigheid en het gebrek aan visie bij vele politici, dragen niet echt bij aan de veronderstelling dat onze democratie in goeden doen is.

Zo is het niet heel moeilijk om een vermoeden uit te spreken over hoe het met het werkstuk van Remkes verder zal gaan. Van de ruim 80 aanbevelingen worden er straks twee of drie bediscussieerd; waarschijnlijk het idee van een bindend correctief referendum en het voorstel dat de kiezer straks op een politieke partij én op een premierskandidaat kan gaan stemmen. Voor deze twee of drie punten wordt (in het parlement) geen meerderheid gevonden; misschien komt men wel op de gedachte nog eens een commissie te vormen die zich over de meest besproken aanbevelingen zal buigen – en daarna is er weer de orde van de dag. Business as usual. De dames en heren van de commissie worden vriendelijk bedankt.
Is dit cynisch? Of is dit zoals het zal gaan?
Misschien stellen we de vraag anders: wie verwacht dat een ernstig zieke chronische patiënt zichzelf geneest?

De ontluisterende situatie waarin de patiënt zich bevindt werd in december nog eens duidelijk uit een inkijkje dat Ankie Broekers-Knol (in een interview in NRC van 18/12/18) gaf over de dagelijkse praktijk in politiek Den Haag. Broekers-Knol (VVD) is al geruime tijd lid van de eerste kamer en tegenwoordig zelfs kamervoorzitter. Het interview handelt voornamelijk over de Wet strafvermindering en de uitvoering van die wet. De wet werd in 2005 aangenomen – Broekers-Knol was er destijds ook al bij. Zij wist toen al dat de wet tot ongewenste praktijken zou leiden, maar ja… Deze wet gaf het Openbaar Ministerie de bevoegdheid om (lichte) vergrijpen te berechten en te bestraffen. U weet, de eigenlijke taak van het OM is ervoor te zorgen dat wetsovertreders worden vervolgd. Het OM vervolgt, de rechterlijke macht spreekt recht. De wet kwam natuurlijk, het geldt voor alle wetten, met de beste bedoelingen tot stand (de rechterlijke macht zou ermee worden ontlast, en er werd tegelijkertijd bezuinigd). Dertien jaar later blijkt dat bijna 300.000 burgers zonder dat zij er erg in hadden een strafblad hebben: zij zijn ingegaan op een ‘strafbeschikking’ van het OM.
Broekers-Knol: “Die burgers hebben een strafblad! Dat is heel fundamenteel. En vervelend. Ze begrijpen niet wat ze overkomt, als ze zo’n brief krijgen. Ik zou hopen dat ik het zelf op tijd zou begrijpen als ik een strafbeschikking zou krijgen – ik heb  jarenlang als jurist gewerkt. De gemiddelde burger, ook de opgeleide, denkt: o, het zal wel.”

Bovendien wordt aangenomen dat één op de drie gevallen door de rechter anders zou worden beoordeeld: de rechter zou in die gevallen tot vrijspraak hebben besloten. Misschien niet zo verwonderlijk, want:
NRC: “Wij kwamen een recente vacature tegen van het OM, dat juridisch studenten zocht om zelfstandig beschikkingen uit te vaardigen.”
Zo wordt recht spreken en de strafmaat bepalen een aangelegenheid waarmee studenten aan een vakantiebaantje worden geholpen. En hebben naar we mogen aannemen 100.000 mensen ten onrechte een strafblad.

Goed, een abominabele wet dus, die nooit aangenomen had mogen worden. Broekers-Knol zag het 13 jaar geleden al aankomen: “Als ik het in mijn eentje kon beslissen had ik nee gezegd tegen strafbeschikking.”
Maar zij mocht het niet in haar eentje zeggen, en dus stemde zij… ‘ja’.
“Op een gegeven moment heb je alle bezwaren geuit, heeft de minister antwoorden gegeven en wordt het besproken in de fractie. Door toezeggingen word je omgepraat. Dan kun je als een donquichot alleen nog roepen: ‘Ik niet, ik niet’.”
(…)
NRC: “Waarom zei de fractie ja? … U vond de strafbeschikking in strijd met de Grondwet. Heeft een senator dan niet de plicht tegen te stemmen?”
Broekers-Knol: “Donner (destijds minister van justitie – red.) legde uit dat het niet zo was. Uiteindelijk zeg je; ‘Nou ja, laten we de minister the benefit of the doubt geven. In dit geval blijkt dat volstrekt ten onrechte.

Is dit nou een incident – de manier waarop deze wet is ingevoerd?
NRC: “Heeft u achteraf spijt van uw steun?
Broekers-Knol: ‘Nou spijt … luister eens, dan moet je de politiek niet in gaan, want er gebeuren voortdurend zulke dingen.’
Als ze zich de wetten voor de geest haalt die ze tijdens haar zeventien jaar in de senaat zag, neemt de vertwijfeling zichtbaar toe. ‘Er zijn er best wat waarvan je van tevoren weet: dat gaat gewoon niet goed. En intussen draait de beleidsmachine maar door.’ Wetgeving rond grote stelselwijzigingen zat volgens de senaat vaak vol problemen. Ze noemt de Mediawet, de Politiewet, de Donorwet, de Wet herziening strafzaken. Allemaal werden ze aangenomen.
‘We vragen hier ministers het hemd van het lijf, en we kunnen ze in het debat fileren. Maar uiteindelijk komt de politiek om de hoek kijken. Je partij zit in de coalitie, er bestaat een risico dat de tent gaat vallen. Willen we het zo ver laten komen? Dat moet je je realiseren.’
Waarom gaat het zo?
“Ik zit nooit bij die topjongens, in de ministerraad of bij het coalitieberaad. Maar daar is kennelijk een dynamiek van: zo wil ik het, en zo gaan we het doen.’”

Ja, het gaat niet zo goed met de democratie. Kan het nog erger?
Zéker wel!

NRC: “Zou de senaat een slechte wet niet gewoon moeten afstemmen?
Broekers-Knol: ‘Dat gebeurt wel eens! Mijn eigen partijgenoot Ruud Luchtenveld had een initiatiefwet ingediend voor echtscheiding zonder rechter. Echt een slecht voorstel. Ik vroeg aan mijn VVD-collega’s in de tweede kamer waarom ze het in vredesnaam hadden laten passeren. We vonden het zo zielig voor Ruud, zeiden ze.’”

Ja, u leest het goed. De tweede kamer had deze wet al behandeld en aangenomen. De VVD-fractie, in wier midden dit stuk broddelwerk geboren werd, had het broddelwerk als broddelwerk herkend – maar stemde vóór de wet. Want anders…. was het zo zielig voor Ruud.

Wij hebben een parlement waarin broddelwerk serieus besproken, zelfs wet kan worden. Wij hebben bergen onderzoek van door het parlement ingestelde wijze commissies. Maar de democratie blijft nog even uit de buurt.
Dat kan ook niet anders zolang er nauwelijks bewustzijn leeft voor het gegeven dat democratie zich baseert op de mondigheid van de burger; dat deze mondigheid ernstig genomen wordt wanneer slechts díe zaken in het parlement behandeld worden waarover elke mondige burger oordeelsbekwaam is; wat betekent dat alleen zaken die algemeen-menselijk zijn in het gebied van democratie en politiek thuishoren.

Dat zijn bijvoorbeeld vraagstukken als: welke rechten kennen wij toe aan mensen die ziek zijn, of gehandicapt; welke rechten stellen wij in voor ouderen; welke rechten hebben wetsovertreders; welke grenzen stellen wij aan de economie op het gebied van het milieu; hoe verdelen wij de hoeveelheid arbeid die gebeuren moet; wat beschouwen wij als een minimun bestaansniveau; welke rechten kennen wij elkaar toe op het gebied van onderwijs, van gezondheidszorg…

Dat zijn de vragen waarover het in de democratie zou moeten gaan; veel van de andere zaken die nu in het parlement besproken worden horen daar niet thuis.
Lang geleden publiceerden wij in Driegonaal een artikel waarin werd betoogd dat er een einde zou moeten komen aan het bestaan van politieke partijen. We gaan het nog eens terugzoeken.
(jh)

Arbeid eerlijk delen

delen

(Dit artikel stond ook in de Driegonaal e-Nieuwsbrief die we in de afgelopen dagen verzonden. Ontvangt u de Nieuwsbrief nog niet? Rechtsonder op deze pagina kunt u zich inschrijven.)

Het gebeurt wel vaker: in de zomer wil de ene of andere organisatie het gebrek aan hard nieuws in media nog wel eens benutten om een plannetje of idee op te laten, een ballonnetje dat in de betrekkelijke medialuwte door een zuchtje media-aandacht kan worden meegevoerd naar grotere hoogten en misschien in de zomerse discussie wordt opgepakt.

Zo kwam FNV Bondgenoten (Volkskrant, 19 juli) met een heel eenvoudig en feitelijk heel interessante gedachte: zou het gezien de economische groei en de hier en daar al gesignaleerde krapte op de zogenaamde ‘arbeidsmarkt’ niet slim zijn om het werk anders te verdelen en daardoor meer mensen een baan te kunnen geven? Er zijn immers nog altijd ruim 400.000 werkzoekenden, schoolverlaters en afgestudeerden komen nog steeds moeizaam aan de slag en moeten het soms doen met ‘nep-banen’, wat opgepoetste vrijwilligers- of stageplekken, waar zij weliswaar ‘echt’ werken, maar niet op basis van ‘echte’ arbeidsvoorwaarden. En dat terwijl, dat was het nieuws in juli, werknemers gemiddeld drie uur per week (onbetaald) overwerken!
Het FNV-ballonnetje werd nog dezelfde dag uit de lucht geschoten door de werkgevers (‘Een moderne economie heeft flexibiliteit nodig’, aldus de werkgevers. Benieuwd hoe men de flexibiliteit zou waarderen indien werknemers gemiddeld drie uur per week betaald niet werken…).

Jammer. Want mogelijk is de gedachte van de FNV op dit moment niet werkbaar (de bereidheid aan werkgeverskant om het nader te onderzoeken is natuurlijk ook minimaal) maar in een serieuze discussie over het plannetje zou duidelijk kunnen worden gemaakt dat de grondgedachte van waaruit het ballonnetje werd opgelaten juist, en van fundamenteel belang is: arbeid – de benodigde hoeveelheid werk voor het handhaven of realiseren van een wenselijk en haalbaar niveau van welvaart en welzijn – is iets dat eerlijk verdeeld zou moeten worden.
Hoezo blijven we hangen in de situatie dat arbeid wordt vervuld door degene die het eerst komt en anderen, die ook arbeidsvaardig zijn en wíllen werken, gedwongen thuis zitten, worden gedegradeerd tot een reserve-reservoir van werkwilligen, ‘reserve-mensen’ die het onmogelijk wordt gemaakt door middel van werk een zinnige bijdrage aan de samenleving te leveren; tot mensen die hun aspiraties aan de kant moeten zetten en die, vanwege het feit dat zij een uitkering ontvangen – die zij eigenlijk niet willen omdat zij gewoon werk willen hebben – tot ‘tegenprestaties’ worden gedwongen die voor velen van hen een miskenning zijn van hun goede wil en capaciteiten?
Hoezo doen wij het zo?
Door de verknipte manier waarop wij omgaan met arbeid en de beloning van arbeid, zien wij over het hoofd dat het feitelijk in zekere zin eenvoudig, terecht, eerlijk en verstandig is om de hoeveelheid arbeid die gedaan moet worden, te verdelen over allen die daaraan deel willen en kunnen hebben. Dat is wenselijk omdat het rechtvaardig is; het is menselijk omdat ieder mens zo zijn bijdrage leveren kan (en de wil om dat te doen leeft intrinsiek in ieder mens); het is verstandig omdat menselijke talenten en vaardigheden kunnen worden ingezet en niet ‘onbenut’ verkommeren.

Een eerlijke verdeling van arbeid vraagt om het scheppen van een nieuw recht, namelijk het ‘recht op arbeid’. Dat recht zou in de praktijk moeten inhouden dat ieder die werken kan en werken wil, hoe dan ook aan een bij zijn capaciteiten en omstandigheden aansluitende baan geholpen wordt. De kennis en ervaring van uitzendbureaus, UWV, vakbonden en ondernemers kunnen zó worden ‘omgeleid’ en ingezet dat het aan werk helpen van mensen als doelstelling centraal komt te staan en tot levendige dagelijkse praktijk wordt.
Daarbij is het van fundamenteel belang dat er een steeds opnieuw te zoeken balans bestaat tussen de gezamenlijke productiviteit van de mensen die in de economie werkzaam zijn, dat wil hier zeggen mensen die werken in het gebied van het produceren en distribueren van waren, en de totale inkomensbehoefte van de andere mensen, namelijk die werkzaam zijn in alle andere sectoren van de samenleving, zoals dienstverlening, ambtenarij, landsverdediging, politie en justitie, onderwijs, gezondheidszorg, wetenschap, kunst en cultuur.
Voor deze tweede ‘groep van mensen’ geldt namelijk dat zij hun werk alleen kunnen uitvoeren wanneer de eerste groep, de mensen die economische waarde scheppen, zoveel waarde scheppen dat er ook daadwerkelijk geld is om de werkenden die tot de tweede groep behoren financieel in staat te stellen hun werk uit te oefenen (ga maar na: wanneer we allemaal kapper, ambtenaar, militair, politieman, leerkracht, verpleegkundige, wetenschapper of kunstenaar zouden zijn, zouden we allemaal zonder inkomen zitten, dan wel zou ons inkomen geen feitelijke waarde vertegenwoordigen, we zouden er niets mee kunnen kopen).
Anders gezegd: het is zaak permanent waar te nemen hoeveel economische waarde er geschapen wordt, hoeveel van die waarde toe moet vloeien naar degenen die aan het scheppen van die waarde meewerken, en hoeveel er daarnaast beschikbaar is (of: zou moeten zijn) voor degenen die in de andere sectoren werkzaam zijn.

Degenen die betrokken zijn bij het produceren en verdelen (daarmee is bedoeld: distributie en handel van de geproduceerde waren) werken samen aan het scheppen van welvaart; de mensen die in de andere sectoren werkzaam zijn werken aan het scheppen van welzijn (hier ruimer dan gangbaar opgevat). In de samenleving als geheel is het noodzaak deze balans tussen welvaart en welzijn steeds in het oog te houden.
Wanneer er, bijvoorbeeld, behoefte is aan méér (of kwalitatief beter) onderwijs is, dan zal er mogelijk méér waarde (welvaart) gecreëerd moeten worden, opdat er vervolgens meer (of beter gekwalificeerde) mensen in het onderwijs kunnen werken. Welvaart en welzijn zijn als communicerende vaten. Waarbij te bedenken valt dat hier niet wordt gesproken over welzijn dat individueel, subjectief, beleefd wordt, maar over welzijn in termen van het beschikbaar zijn van onderwijs, kunst en cultuur, gezondheidszorg en dergelijke.

Het doorzien van dit grote verband kan nog eens extra duidelijk maken hoe belangrijk het is om tot een nieuw ‘recht op arbeid’ te komen. Mensen hebben een diepe behoefte om  hun bestaan mede zin te geven door een bijdrage te leveren aan het creëren van welvaart of welzijn. Wanneer dit inzicht breed gedragen zou worden, zouden we in de praktijk ook zien en ervaren dat er meer dan voldoende werk is. Het is inhumaan om mensen hiervan uit te sluiten.
John Hogervorst

‘Een generatie van jonge mensen…’

gatto 2“Een generatie van jonge mensen die zou hebben geleerd kritisch na te denken, zou het economisch systeem waarin de schoolkinderen van nu in de toekomst zullen moeten leven en functioneren, niet overleven.”
John Taylor Gatto

Onder de talrijke Amerikaanse critici van het schoolsysteem (zoals bijvoorbeeld Paul Goodman, Daniel Greenberg, Mimsy Sadofski, John Holt of Pat Farenga ) is John Taylor Gatto een bijzonder interessante verschijning. Hij was zelf meer dan dertig jaar leraar in het openbaar onderwijs en werd in de staat New York meermaals tot leerkracht van het jaar  verkozen, voordat hij zich ten slotte tot een van de scherpste critici van het door de staat gemonopoliseerde onderwijs en de leerplicht ontwikkelde.

Gatto’s kernthese luidt, dat de school, zoals ze tegenwoordig meestal gestructureerd is, niet primair werkelijke ontwikkelingsprocessen dient, maar een onzichtbaar leerplan volgt, “dat de mythe van het instituut school en ons economische systeem, dat op een kastensysteem is gebaseerd, versterkt.” De school bewerkt daardoor “met briljante precisie waartoe ze oorspronkelijk ontwikkeld werd, ze vormt namelijk de ‘ontwikkelings’zuil van een centralistische – op massaproductie gerichte – economie, die door een handvol commandocentrales bestuurd wordt. (…) [Die economie] heeft mensen nodig die afgericht zijn zichzelf te definiëren in relatie tot hun  verdiensten, het verwerven van dingen en het bezit van ‘zaken’, en die alles vanuit het gezichtspunt van gemak, zekerheid en status beschouwen.”

Vanuit zijn eigen beroepservaring beschrijft Gatto in Zeven lessen van de leerkracht zijn analyse van dit ‘onzichtbare leerplan’:

1. Verwarring. “Alles, wat ik leer, is uit zijn samenhang gerukt…”

2. Maatschappelijke gelaagdheid. “Het deel uitmaken van een bepaalde laag of klasse, waaraan niet te ontkomen valt.”

3. Onverschilligheid. “U dient zich als een lichtschakelaar te laten aan- en uitschakelen…”

4. Emotionele afhankelijkheid. Met “onderscheidingen, eerbetoon en straffen breng ik de kinderen bij hun wil te onderwerpen aan de vooraf vastgelegde aaneenschakeling van orders, taken en opdrachten.”

5. Intellectuele afhankelijkheid. “Brave, gehoorzame mensen wachten op een expert die hen zegt wat te doen.”

6. Labiel zelfbewustzijn. “De les van beoordelingen, censuur en toetsresultaten ligt daarin, dat kinderen niet zichzelf of hun ouders dienen te vertrouwen, maar dat ze zich in plaats daarvan op de beoordeling van bevoegde functionarissen verlaten.”

7. Men kan zich niet verstoppen. “Controle is een oeroude noodzaak en werd al verlangd door bepaalde invloedrijke denkers. Fundamentele gebruiksaanwijzingen zijn neergelegd in De Staat (Plato), Over de stad van God (Augustinus), Institutio Christianae Religionis (Johannes Calvijn), Nova Atlantis (Francis Bacon), Leviathan (Thomas Hobbes) en een veelvoud van andere geschriften.”

Samenvattend merkt Gatto op: “Een dergelijk leerplan leidt tot fysieke, morele en intellectuele verlamming en geen enkel inhoudelijk leerplan zal toereikend zijn, om zijn afschuwelijke uitwerkingen teniet te doen.”

De Zeven lessen zijn voor Gatto bestanddelen die inherent zijn aan het systeem van het staatsonderwijs, zodat hij het onmogelijk acht dat dit systeem te hervormen is. Weliswaar werken in de scholen “duizenden vriendelijke, geëngageerde mensen maar de abstracte logica van het instituut is sterker dan hun individuele inbreng.” Daarom eist Gatto een “intensief landelijk debat” om de “fundamentele uitgangspunten van het onderwijs” te overdenken. Pedagogische ‘sleutel’ daarbij is het inzicht, “dat zelfkennis de enige basis voor ware kennis is”. Wezenlijk schijnt hem daarbij te zijn, de kinderen “opnieuw met de reële wereld in verbinding” te brengen, zodat “hun eigen tijd met iets anders gevuld kan worden, dan met abstractie.”

Structureel ziet Gatto de volledige scheiding tussen staat en onderwijs als noodzakelijk; hij onderscheidt daarbij echter nog niet helder tussen de civiele samenleving en de economie, en lost daardoor het probleem van een sociaal gedifferentieerd schoolsysteem nog niet werkelijk op: “Een of andere vorm van vrije concurrentie met betrekking tot de plek, waar we in de eerste plaats antwoorden kunnen vinden, een vrije markt, waar familiescholen, ambachts- of landbouwscholen in grote getale kunnen bestaan en met de staatsscholen/het openbaar onderwijs kunnen concurreren.”

Literatuur
Alle citaten afkomstig uit: Gatto, John Taylor (2009): Verdummt noch mal!, Bremen

(Een fragment uit: Menschenbildung in einer globalisierten Welt : Perspektiven einer zivilgesellschaftlichen Selbstverwaltung unserer Bildungsräume van Clara Steinkeller, gepubliceerd in Driegonaal, jrg.33 / nr. 1/2)

De sociale driegeleding als menselijke noodzaak

Het bestuderen van de geschiedenis is een bezigheid die ons veel kan leren over de mens van vandaag. Wanneer we proberen een beeld te vormen van het sociale leven ten tijde van het Oude Egypte, kunnen we vervolgens, door dat beeld in relatie te brengen tot het sociale leven van onze tijd, zien hoezeer dit sociale leven -en dus de mens- veranderd is. We kunnen op die manier bovendien een besef krijgen van de richting waarin de mens zich ontwikkelt.

Kenmerkend voor het Oude Egypte is de rol van de religie in het sociale leven:

“Religie was een levenswijze in Egypte en toch had het concept van een georganiseerde godsdienst voor de meeste mensen geen betekenis. Daar de goden volledig geïntegreerd waren in de Egyptische samenleving, temidden van hun volgelingen leefden, toezicht hielden op elk aspect van het dagelijks leven, werd er weinig bijgelovige eerbied getoond in hun verering. De goden waren niet alleen bij Egypte, ze wáren Egyptenaren.” 1)

Dit fragment is duidelijk, maar abstract. Het wil zoveel zeggen als: voor de Egyptenaren bestond er niet zoiets als wat wij nu religie noemen: hun gehele dagelijkse leven was religie (althans, datgene wat wij religie noemen). Alle handelingen stonden in het teken van de goden en daarmee was natuurlijk ook hun zieleleven grotendeels vervuld. Het ritme van de dag, het bereiden en gebruiken van de maaltijd, de tijd van zaaien of oogsten, de feesten – het wat, hoe wanneer en waarom van al deze dingen werd aangegeven door de goden en hun intermediairs: de priesters en vooral de farao, de priester-koning.

“De koning bekleedde de hoogste positie in de Egyptische maatschappij, zoals de deksteen van een piramide. De koning van Egypte was een vleesgeworden god, een priester en een krijger, die ver verheven was boven de zwoegende meerderheid van zijn onderdanen, die bereid waren voor hem te vechten en zo nodig te sterven. Ondanks zijn ontoegankelijkheid was de koning veel meer dan een soort heerser in naam, die alleen zuiver ceremoniële plichten had. Hij bevond zich in het centrum van alle Egyptische zaken, in feite, in heel reële zin, was hij Egypte.” 2)

De goden, plaatsvervangend de farao en de vele priesters, bepaalden het leven in Egypte, de individuele mens bestond in zekere zin nog niet, althans: hij liet zijn leven in vanzelfsprekendheid bepalen door de goden.

Anno 2004, om het contrast maar direct scherp te stellen, mag je als ouder al blij zijn als je je kind nog voorbij de puberteit een beetje mag helpen de weg in het leven te vinden, daarna (of daarvoor) gaat het zijn eigen weg. En dat moet ook zo zijn in onze tijd: de mens wil zijn eigen keuzes maken.

Dit proces van individualisering, dat gepaard gaat met het oplossen van alle traditionele sociale verbanden, werd door Rudolf Steiner beschreven in de sociologische basiswet:

“Aan het begin van haar culturele status streeft de mensheid naar het ontstaan van sociale instellingen; het belang van de enkeling wordt voorshands aan het belang van de instellingen opgeofferd; de verdere ontwikkeling leidt er evenwel toe, dat de enkeling zich uit de belangen van de instellingen bevrijdt en tot een vrije ontplooiing van zijn behoeften en van zijn capaciteiten komt.” 3)

Met name in de 20e eeuw, en in de westerse wereld, is dit proces van individualisering en het wegvallen van sociale verbanden in sneltreinvaart verlopen. Juist de westerse cultuur heeft daarvoor in de afgelopen vijf, zes eeuwen de randvoorwaarden geschapen (in de ontwikkeling van wetenschap, techniek, economie en vormgeving van het sociale leven) en met het verbreiden van de westerse cultuur over de gehele aardbol zal dit individualiseringsproces wereldwijd zijn loop nemen. En al gaat dit proces ook gepaard met individuele en sociale crisissen, met eenzaamheid, menselijke vervreemding en een ontketend egoïsme, het is een ontwikkeling die onomkeerbaar is en die, in het proces van de mensheidsontwikkeling, een noodzakelijke stap is op de weg van de mens naar vrijheid.

Tegelijkertijd ligt in dit gegeven de kernvraag van het moderne sociale leven: hoe vormen we een samenleving die enerzijds recht doet aan de ontwikkelingsruimte die de individuele mens vraagt, maar die anderzijds toch meer is dan een verzameling van op zichzelf staande individuen?

Het ‘gezonde verstand’ raadt ons de individuele mens en dat wat er in hem leeft als uitgangspunt te nemen voor een in sociaal opzicht gezonde samenleving. Wat kunnen we in dit licht aan de individuele mens waarnemen?

Ten eerste: de diepe behoefte om individuele vaardigheden te ontplooien en uit te oefenen. Ten tweede: de behoefte om, in de ernstigste zin van het woord, als mens tegemoetgetreden te worden. Ten derde: de dagelijkse terugkerende behoefte aan datgene wat de aarde voortbrengt en wat het fysieke bestaan van de mens mogelijk maakt.

De sociale driegeleding is niets meer of minder dan de richting waarin aan deze drie behoeften tegemoetgekomen kan worden.

Het ontplooien en uitoefenen van individuele vaardigheden vindt in het geheel van het sociale leven zijn basis in het geestesleven. Het is het gebied van onderwijs, kunst, wetenschap, religie. Vanuit de individuele mens gezien is het het gebied waar hij datgene wat in de ziel leeft ontwikkelt, tot uiting brengt, beoefent. Voorwaarde voor een geestesleven dat tot bloei kan komen is dat er vrijheid heerst. Datgene wat in de menselijke ziel leeft mag niet van buitenaf beperkt of gestuurd worden, het behoeft vrijheid om langs individuele weg te kunnen komen tot het ontdekken en beleven van het ware, het goede en het schone. De sociale betekenis van een vrij geestesleven is van een dimensie die we ons nauwelijks kunnen voorstellen: een bloeiend geestesleven is een schier onuitputtelijke bron van ontwikkeling en vernieuwing voor het geheel van de samenleving.

De behoefte aan datgene wat de aarde voortbrengt en wat het fysieke bestaan van de mens mogelijk maakt, vindt zijn antwoord in het economisch leven. Hier wordt gewerkt aan de vervulling van deze behoefte  die, in een gezonde economie, beginpunt van alle economische bedrijvigheid is. Op basis van wederkerigheid werkt de ene mens aan datgene waaraan de ander behoefte heeft. Wanneer het vraagstuk van de (aard en mate van) arbeid en het eigendomsvraagstuk (het scheppen van een gebruiksrecht in plaats van een eigendomsrecht voor grond en kapitaalsgoederen) niet binnen het economisch leven maar daarbuiten, in het rechtsleven, geregeld worden zijn de voorwaarden geschapen voor een economie waarin de dingen de ‘juiste prijs’ dragen, dat wil zeggen dat een ieder die aan een waar heeft meegewerkt als tegenpresatie voor het resultaat van zijn arbeid voldoende ontvangt om in zijn behoeften te voorzien. Zo kan het economisch leven het gebied worden waarin broederschap verwerkelijkt wordt.

De diepe behoefte om als mens tegemoetgetreden te worden kan in het rechtsleven zijn antwoord vinden. Voorbij alles dat ons als individu kleurt en kenmerkt ligt ons diepere mens-zijn, dat we ook in alle andere mensen kunnen herkennen. Wat komt de mens toe louter op basis van zijn mens-zijn? Hoe wil ik dat de andere mens, krachtens zijn mens-zijn, behandeld wordt – zoals ook ikzelf? Daar liggen de diepere vragen van het rechtsleven. Datgene wat uit deze vragen voortvloeit geeft ook de grenzen aan van datgene waarover het rechtsleven zich kan buigen, namelijk over datgene wat alle mensen krachtens hun mens-zijn aangaat. In onze tijd wil de mens actief deelnemen aan het proces van het vormgeven van het sociale leven, inclusief de wetten, regels en afspraken. Daarom is gelijkheid in het rechtsleven noodzaak: gelijkheid in het vormen van wetten en regels, gelijkheid ook in de uitwerking van wetten en regels, die in gelijke gevallen in gelijke mate van gelding zijn. Het individueel-menselijke speelt dan ook in het rechtsleven geen rol (dat is thuis in het geestesleven), slechts het algemeen-menselijke.

In het geheel van dit maatschappelijke organisme heeft het economisch leven tot taak te voorzien in de fysieke behoeften van de mens, het geestesleven levert het geheel van het maatschapelijk organisme het zaad voor bloei en ontwikkeling, het rechtsleven waarborgt de vrijheid van het geestesleven, houdt anderzijds het economisch leven ‘op zijn plaats’ en is uitdrukking van (de mate van) menselijkheid van een sociaal organisme. Zo kunnen we de sociale driegeleding herkennen als een, in de diepste zin, menselijke noodzaak.

1)       Hilary Wilson, Het volk van de farao’s. Het dagelijks leven in het oude Egypte, Baarn 1998, (86)
2)       Ibid. (196)
3)       Vertaling ontleend aan De sociale impuls van de antroposofie, Dieter Brüll, Zeist 1985 (26)

Dit artikel van John Hogervorst verscheen oorspronkelijk in Driegonaal, jrg.27/nr.2

Nieuwsbrief

De Driegonaal-nieuwsbrief verschijnt onregelmatig. Registreer hier!



Sociale netwerken