Gedachten en ideeën, ongenoegen en plezier bij groot en klein nieuws,
door John Hogervorst, Toos Komma en Drs. Teentjes.

Afspraakje met Mark Rutte

rutte2Ook onze premier was aanwezig op het World Economic Forum dat in de afgelopen week in Davos plaats vond. Daar werd getuige de berichtgeving, opmerkelijk genoeg, veel over het basisinkomen gesproken. Dat was (NRC 27/1 jl.) ook Rutte opgevallen. “Maar ik ben ronduit tegen een basisinkomen. Het moet draaien om het bieden van gelijke kansen, en een vangnet. Maar de hoofdafspraak is dat iedereen voor zichzelf zorgt.”
Dat Rutte tegen het basisinkomen is, is fijn – dat ben ik ook –  maar naast deze mededeling bevatten de twee volgende aangehaalde zinnetjes toch een hoop onzin.

Want wat kan men zich daarbij voorstellen, bij “het bieden van gelijke kansen, en een vangnet”?
Het bieden van gelijke kansen is een nobel streven maar in de werkelijkheid een loze kreet. Wie in het onderwijs rondloopt, of in de gezondheidszorg, op de ‘arbeidsmarkt’, op de woningmarkt, of …,  kan tot de gedachte komen dat het bieden van gelijke kansen als het erop aan komt niet heel veel betekenis heeft.
Zodoende is er veel behoefte aan het ‘vangnet’.

“Gelijke kansen, en een vangnet”, dat betekent nagenoeg hetzelfde als ‘the struggle for life’. Het vangnet vijlt de scherpe randjes eraf.

“Maar de hoofdafspraak is dat iedereen voor zichzelf zorgt” – vervolgt Rutte. En daar zit hem natuurlijk de kneep. Ieder voor zich en het vangnet voor allen. Het wordt hier door Rutte helder verwoord, en we mogen aannemen dat velen, ook zij die zich wellicht van deze ‘afspraak’ niet bewust waren, misschien ook niet tot een andere gedachte komen.

Hoe zou het zijn als we eens nadenken over een andere afspraak?
Bijvoorbeeld: de hoofdafspraak is dat iedereen voor de anderen zorgt, en niet voor zichzelf?
Beweegt u uw gedachten eens in déze richting. Dan kunt u ervaren dat déze afspraak een heel andere insteek biedt, en tot een heel andere sociale werkelijkheid kan leiden.

Als iedereen voor de anderen zorgt, en niet voor zichzelf, geeft dat de waarborg dat er voor jou gezorgd wordt wanneer dat nodig is. In plaats van nemen kan je geven.
Dat levert een heel ander levensgevoel op dan het meedraaien in de naakte strijd om het bestaan. Een heel andere werkelijkheid ook voor degenen die nu tot het vangnet veroordeeld zijn.

Misschien kunnen we hierover met Mark een afspraakje maken.

Werk en inkomen

Drukwerk
“Ik werk want ik heb een inkomen nodig” – voor hoeveel mensen is dat niet de manier waarop ze tegen hun werk aankijken?
Toch stelde Rudolf Steiner heel beslist dat werk en inkomen twee gescheiden zaken zouden moeten zijn. In zijn ogen is het mensonwaardig om arbeid te behandelen als een koopwaar die op de ‘arbeidsmarkt’ aangeboden wordt.
Om dit te begrijpen is het allereerst van belang om nader te onderzoeken waarom een mens eigenlijk werkt. Vervolgens kijken we hoe in de economie de welvaart wordt geproduceerd die ons in staat stelt te leven. En als derde zullen we zien hoe, op basis van de sociale driegeleding, heel verschillende beroepen of ‘soorten’ van arbeid in relatie tot elkaar staan – elkaar mogelijk maken en bevruchten.

Ook in relatie tot actuele thema’s als werkgelegenheid/werkloosheid, robotisering of de discussie rondom het basisinkomen, kan duidelijk worden hoe Rudolf Steiners visie op de samenleving (de sociale driegeleding) en de zgn associatieve economie een vruchtbare grondslag vormen om tot nieuwe sociale inzichten te komen.

Een voordracht door John Hogervorst
Woensdag 24 januari 20:00-22:00 uur
Oosterhoeve bij de Oosterplas
IJsselsingel 1, Den Bosch
Nadere informatie: antroposofie-denbosch@live.nl

Geen toekomstmuziek

blaasintstrumentDie sociale driegeleding, dat klinkt mooi, maar het is toekomstmuziek. Daar is de mens nog helemaal niet aan toe. Je moet ongeveer heilig zijn om er aan mee te kunnen doen.

Waarom zouden we nu geen begin met die driegeleding kunnen maken? Wanneer we met ons gezond verstand kunnen inzien dat de sociale driegeleding waardevolle elementen en inzichten bevat, dan kunnen we toch ook de eerste stappen in die richting zetten?
In het dagelijkse leven werken we heel vaak zó dat we onszelf stimuleren, ertoe aanzetten of dwingen om dát te doen waarvan we weten dat het zinnig is – ook al hebben we daar soms geen zin in. Als ik morgenochtend om zes uur moet opstaan, hou ik daar vanavond rekening mee en ga ik niet te laat naar bed. Als ik over een half jaar een marathon wil lopen, begin ik nu met trainen. Als ik barstende hoofdpijn heb, kijk ik geen televisie. En het mooie is: samen met anderen werkt dit principe nog beter. We kunnen samen afspraken maken waarin we elkaar beloven datgene te doen wat ons zinnig lijkt. En als we eenmaal de afspraak gemaakt hebben, kunnen we elkaar aan die afspraak houden.
Dat betekent dat we in het maatschappelijke leven, in kleine en grotere kring, tot afspraken (regels, procedures, wetten) kunnen komen waarin we ons verbinden om zinnig te handelen, of om op zijn minst niet onzinnig te handelen. Juist omdat we niet heilig zijn maar meestal op de eerste plaats aan onszelf denken, is het van belang om een sociale structuur te vormen die ons beschermt tegen onszelf. Tegen de tijd dat we allemaal heilig zijn kunnen we het ons permitteren de sociale driegeleding te vergeten. :>)
(uit Driegonaal jrg.34, nr.3/4)

Arbeid eerlijk delen

delen

(Dit artikel stond ook in de Driegonaal e-Nieuwsbrief die we in de afgelopen dagen verzonden. Ontvangt u de Nieuwsbrief nog niet? Rechtsonder op deze pagina kunt u zich inschrijven.)

Het gebeurt wel vaker: in de zomer wil de ene of andere organisatie het gebrek aan hard nieuws in media nog wel eens benutten om een plannetje of idee op te laten, een ballonnetje dat in de betrekkelijke medialuwte door een zuchtje media-aandacht kan worden meegevoerd naar grotere hoogten en misschien in de zomerse discussie wordt opgepakt.

Zo kwam FNV Bondgenoten (Volkskrant, 19 juli) met een heel eenvoudig en feitelijk heel interessante gedachte: zou het gezien de economische groei en de hier en daar al gesignaleerde krapte op de zogenaamde ‘arbeidsmarkt’ niet slim zijn om het werk anders te verdelen en daardoor meer mensen een baan te kunnen geven? Er zijn immers nog altijd ruim 400.000 werkzoekenden, schoolverlaters en afgestudeerden komen nog steeds moeizaam aan de slag en moeten het soms doen met ‘nep-banen’, wat opgepoetste vrijwilligers- of stageplekken, waar zij weliswaar ‘echt’ werken, maar niet op basis van ‘echte’ arbeidsvoorwaarden. En dat terwijl, dat was het nieuws in juli, werknemers gemiddeld drie uur per week (onbetaald) overwerken!
Het FNV-ballonnetje werd nog dezelfde dag uit de lucht geschoten door de werkgevers (‘Een moderne economie heeft flexibiliteit nodig’, aldus de werkgevers. Benieuwd hoe men de flexibiliteit zou waarderen indien werknemers gemiddeld drie uur per week betaald niet werken…).

Jammer. Want mogelijk is de gedachte van de FNV op dit moment niet werkbaar (de bereidheid aan werkgeverskant om het nader te onderzoeken is natuurlijk ook minimaal) maar in een serieuze discussie over het plannetje zou duidelijk kunnen worden gemaakt dat de grondgedachte van waaruit het ballonnetje werd opgelaten juist, en van fundamenteel belang is: arbeid – de benodigde hoeveelheid werk voor het handhaven of realiseren van een wenselijk en haalbaar niveau van welvaart en welzijn – is iets dat eerlijk verdeeld zou moeten worden.
Hoezo blijven we hangen in de situatie dat arbeid wordt vervuld door degene die het eerst komt en anderen, die ook arbeidsvaardig zijn en wíllen werken, gedwongen thuis zitten, worden gedegradeerd tot een reserve-reservoir van werkwilligen, ‘reserve-mensen’ die het onmogelijk wordt gemaakt door middel van werk een zinnige bijdrage aan de samenleving te leveren; tot mensen die hun aspiraties aan de kant moeten zetten en die, vanwege het feit dat zij een uitkering ontvangen – die zij eigenlijk niet willen omdat zij gewoon werk willen hebben – tot ‘tegenprestaties’ worden gedwongen die voor velen van hen een miskenning zijn van hun goede wil en capaciteiten?
Hoezo doen wij het zo?
Door de verknipte manier waarop wij omgaan met arbeid en de beloning van arbeid, zien wij over het hoofd dat het feitelijk in zekere zin eenvoudig, terecht, eerlijk en verstandig is om de hoeveelheid arbeid die gedaan moet worden, te verdelen over allen die daaraan deel willen en kunnen hebben. Dat is wenselijk omdat het rechtvaardig is; het is menselijk omdat ieder mens zo zijn bijdrage leveren kan (en de wil om dat te doen leeft intrinsiek in ieder mens); het is verstandig omdat menselijke talenten en vaardigheden kunnen worden ingezet en niet ‘onbenut’ verkommeren.

Een eerlijke verdeling van arbeid vraagt om het scheppen van een nieuw recht, namelijk het ‘recht op arbeid’. Dat recht zou in de praktijk moeten inhouden dat ieder die werken kan en werken wil, hoe dan ook aan een bij zijn capaciteiten en omstandigheden aansluitende baan geholpen wordt. De kennis en ervaring van uitzendbureaus, UWV, vakbonden en ondernemers kunnen zó worden ‘omgeleid’ en ingezet dat het aan werk helpen van mensen als doelstelling centraal komt te staan en tot levendige dagelijkse praktijk wordt.
Daarbij is het van fundamenteel belang dat er een steeds opnieuw te zoeken balans bestaat tussen de gezamenlijke productiviteit van de mensen die in de economie werkzaam zijn, dat wil hier zeggen mensen die werken in het gebied van het produceren en distribueren van waren, en de totale inkomensbehoefte van de andere mensen, namelijk die werkzaam zijn in alle andere sectoren van de samenleving, zoals dienstverlening, ambtenarij, landsverdediging, politie en justitie, onderwijs, gezondheidszorg, wetenschap, kunst en cultuur.
Voor deze tweede ‘groep van mensen’ geldt namelijk dat zij hun werk alleen kunnen uitvoeren wanneer de eerste groep, de mensen die economische waarde scheppen, zoveel waarde scheppen dat er ook daadwerkelijk geld is om de werkenden die tot de tweede groep behoren financieel in staat te stellen hun werk uit te oefenen (ga maar na: wanneer we allemaal kapper, ambtenaar, militair, politieman, leerkracht, verpleegkundige, wetenschapper of kunstenaar zouden zijn, zouden we allemaal zonder inkomen zitten, dan wel zou ons inkomen geen feitelijke waarde vertegenwoordigen, we zouden er niets mee kunnen kopen).
Anders gezegd: het is zaak permanent waar te nemen hoeveel economische waarde er geschapen wordt, hoeveel van die waarde toe moet vloeien naar degenen die aan het scheppen van die waarde meewerken, en hoeveel er daarnaast beschikbaar is (of: zou moeten zijn) voor degenen die in de andere sectoren werkzaam zijn.

Degenen die betrokken zijn bij het produceren en verdelen (daarmee is bedoeld: distributie en handel van de geproduceerde waren) werken samen aan het scheppen van welvaart; de mensen die in de andere sectoren werkzaam zijn werken aan het scheppen van welzijn (hier ruimer dan gangbaar opgevat). In de samenleving als geheel is het noodzaak deze balans tussen welvaart en welzijn steeds in het oog te houden.
Wanneer er, bijvoorbeeld, behoefte is aan méér (of kwalitatief beter) onderwijs is, dan zal er mogelijk méér waarde (welvaart) gecreëerd moeten worden, opdat er vervolgens meer (of beter gekwalificeerde) mensen in het onderwijs kunnen werken. Welvaart en welzijn zijn als communicerende vaten. Waarbij te bedenken valt dat hier niet wordt gesproken over welzijn dat individueel, subjectief, beleefd wordt, maar over welzijn in termen van het beschikbaar zijn van onderwijs, kunst en cultuur, gezondheidszorg en dergelijke.

Het doorzien van dit grote verband kan nog eens extra duidelijk maken hoe belangrijk het is om tot een nieuw ‘recht op arbeid’ te komen. Mensen hebben een diepe behoefte om  hun bestaan mede zin te geven door een bijdrage te leveren aan het creëren van welvaart of welzijn. Wanneer dit inzicht breed gedragen zou worden, zouden we in de praktijk ook zien en ervaren dat er meer dan voldoende werk is. Het is inhumaan om mensen hiervan uit te sluiten.
John Hogervorst

Woede!

singh
Gelijkmoedigheid en positiviteit zijn waardevolle eigenschappen. Wie ze niet kent wint er veel bij om ze te ontwikkelen. Maar soms is onvervalste, gierende woede ook  op zijn plaats en verre te prefereren boven lauwe onverschilligheid.

Sinds 10 juli 1984 zit Jaitsen Jainandun Singh in een Amerikaanse cel. Hij is in Amerika veroordeeld wegens de moord op zijn vrouw en dochter en heeft nu 33 jaar van de hem opgelegde straf van 56 jaar uitgezeten. Gezien zijn leeftijd, hij is nu 72 jaar, is het onwaarschijnlijk dat hij de gevangenis levend zal verlaten.

Inmiddels is duidelijk geworden dat er tijdens zijn proces van alles is misgegaan. Zijn zoon, die met zijn vader een meerdaagse trip maakte op de dag dat zijn moeder en zus vermoord werden, is nooit verhoord. De aanklager in de zaak is later veroordeeld omdat kon worden aangetoond dat hij had betaald voor een valse getuigenverklaring tegen Singh. De weduwe en de broer van een andere verdachte in de moordzaak hebben schriftelijke getuigenissen afgelegd waarin zij verklaren dat Singh niets met de moorden te maken had.

Toen Singh, Nederlands staatsburger, in 2014 om overplaatsing naar een Nederlandse gevangenis verzocht, liet Nederland het afweten. Daarin speelden ambtelijke egotripperij, een zoekgeraakt dossier, onwil en lauwheid een rol.

Het hele verhaal, vol met ambtelijk geschutter en wegkijken, is te lezen in de Volkskrant van 15 juli.

Wat de menselijke dimensie is van een dergelijke gang van zaken, wie zou dát kunnen beschrijven?

Dat het Amerikaanse rechtssysteem die naam in veel gevallen eigenlijk niet mag dragen – wij laten het hier terzijde. Ras, maatschappelijke positie en rijkdom wegen daar sterk mee in het al dan niet ‘krijgen van recht’.  Laat de Amerikanen dat zelf maar even oplossen.

Dat de Nederlandse staat een Nederlands staatsburger zó in de kou laat staan, is een regelrechte schande die tot diepe schaamte en heftige woede zou moeten leiden. Gevolgd door snel en adequaat handelen om deze schandvlek weg te poetsen – voor zover dat nog mogelijk is.

De staat – het wordt nog wel eens over het hoofd gezien – is geen doel op zich maar is er om de burgers te beschermen en om ervoor te zorgen dat er recht heerst. Ambtenaren zijn in laatste instantie niets anders dan dienaren van het volk – hetgeen overigens een eervolle taak kan zijn. Dat een mens zo goed als zeker onschuldig in een Amerikaanse gevangenis wegkwijnt, terwijl op de betreffende ministeries (dat van Buitenlandse Zaken en van Justitie) zijn belangen worden genegeerd en ten prooi vallen aan onkunde en onwil, aan de nukken van procedureridders en aan lunchpauzes – het is om razend van te worden.

Inmiddels is de zaak van Singh opgepakt door advocaat Rachel Imamkhan die is verbonden aan de Stichting PrisonLaw. Zij zet zich in om de zaak heropend te krijgen en is om dat te financieren een crowdfundingsactie begonnen.
Zie: www.geef.nl/actie/maak-het-verschil-voor-jaitsen-singh

Kan het nog gekker dan Trump?

trump2Of er vanuit de sociale driegeleding nog iets te melden valt over Donald Trump en over hoe deze onwaarschijnlijke figuur te begrijpen?
Tja. Over Trump zelf worden wij, wanneer wij bij de sociale driegeleding te rade gaan, niet wijzer. Andersom kan de ‘casus Trump’ wel verduidelijken waar het in de driegeleding (ook) om gaat.

In de sociale driegeleding is de democratie het gebied waarbinnen de gelijkheid leidend is. In dit gebied gaat het om het mens-zijn als zodanig, om de rechten en plichten die wij elkaar, en daarmee onszelf, op grond van ons mens-zijn toekennen. Ernstig genomen en gezegd, gaat het er hier om de waardigheid van het mens-zijn steeds meer en beter in de vorming en uitoefening van het recht tot uitdrukking te brengen.
Trump lijkt op weg om een volslagen karikatuur van het rechtsleven te verbeelden.
Willekeur in plaats van recht; verdeeldheid in plaats van gelijkheid; egoïsme in plaats van menselijke waardigheid.

Nog een apart verhaal, en te lang om hier uit te werken, ligt in de vraag hoe het eigenlijk mogelijk is dat een figuur als Trump gekozen kan worden in een systeem dat zich als democratie opvat. Daarmee is meer gezegd over dit systeem dan over Trump.

Honderd jaar geleden hadden de VS een president, Woodrow Wilson, die in een groot deel van de wereld bejubeld werd, vooral vanwege zijn mooie, maar totaal onzinnige praatjes over vrede en recht. Met zijn 14-punten plan, in 1918 gelanceerd, en het ‘zelfbeschikkingsrecht der volkeren’, zette hij de deur wagenwijd open voor verdeeldheid en strijd – en schiep gewild of ongewild een klimaat waarin de VS konden uitgroeien tot wereldmacht nummer 1.

De sociale driegeleding was het antwoord op de abstracte wereldvreemdheid van Wilson: het zelfbeschikkingsrecht van het individu tegenover het zelfbeschikkingsrecht van het volk. Rudolf Steiner vertegenwoordigde de krachten van de toekomst, Woodrow Wilson de krachten van de neergang die de 20e eeuw sterk ingekleurd hebben.

“U weet, ik heb er hier vaak over gesproken, dat het een van de belangrijkste verschijnselen van de moderne geschiedenis is, dat de leidende personen naar boven komen drijven op basis van de selectie van de slechtsten. Ik heb dat door de jaren heen bij verschillende gelegenheden steeds opnieuw gezegd. Zij die nu heersen, die regeren, zijn niet voortgekomen uit een selectie van de besten. Deze tijd brengt het met zich mee dat de besten juist buiten beeld blijven en dat de slechtsten in de meeste gevallen komen bovendrijven.”
(Rudolf Steiner, 12 oktober 1919, uit GA Nr 191)

Er is aanleiding ons af te vragen of Trump het hoogtepunt van gekte is, of dat hij slechts een tussenstap op weg naar nog grotere gekte zal zijn. Het antwoord op die vraag is mogelijk weer verbonden met de vraag of wij ernst gaan maken met het zelfbeschikkingsrecht van het individu en de daarbij passende ordening van het sociale leven: de sociale driegeleding.

Nieuwsbrief

De Driegonaal-nieuwsbrief verschijnt onregelmatig. Registreer hier!



Sociale netwerken