orgaanMet een stemverhouding van 75 vóór en 74 tegen werd gisteren een wet aangenomen waarin wordt bepaald dat diegenen die daaromtrent niets vastleggen, daarmee aangeven na hun overlijden geen bezwaar te hebben tegen het gebruik van hun organen als donororgaan.
De wet moet nu nog door de eerste kamer goedgekeurd worden om definitief in werking te treden.

De vragen rondom orgaandonatie leven al langer en zullen door de nieuwe wet zeker niet verstommen. De meest brisante vraag is de volgende: wanneer is een mens overleden en zijn de criteria die daarvoor in de geneeskunde gehanteerd worden correct? Met andere woorden: worden donororganen werkelijk na de dood afgestaan, of is het zo dat ze nog bij leven worden uitgenomen?

Het ´hersendood-criterium´ dat nu gehanteerd wordt is op zijn zachtst gezegd verdoezelend: wie hersendood is leeft nog.
Wie hersendood is én heeft aangegeven orgaandonor te willen zijn of daartegen geen bezwaar heeft gemaakt, zal komen te overlijden tijdens de operatie om de organen ´uit te nemen´. De toekomstige nabestaanden, die (meestal) zonder daarvan het fijne te weten, mogelijk desgevraagd toestemming verlenen de organen van hun familielid te doneren, worden vervolgens verzocht afscheid te nemen van hun partner of familielid, die weliswaar buiten bewustzijn is, maar nog altijd leeft.

Zoals achter vele actuele vraagstukken gaat hierachter een fundamentele vraag schuil. Het is de vraag die ieder mens die in deze tijd leeft moet beantwoorden, in en door de praktijk van zijn leven, zelfs wanneer hij ich niet bewust is van het feit dat deze vraag er is. Die vraag hangt samen met het mensbeeld dat je er op na houdt en zou als volgt verwoord kunnen worden: is de mens niets meer en niets anders dan een lichamelijkheid waarin zich allerlei complexe processen afspelen; of is de mens een wezen dat zich tijdens het leven op aarde van een lichaam bedient en dat vóór de geboorte en ook ná de dood een bestaan kent?
Op een huis-, tuin- en keukenmanier kan deze vraag ook zó gesteld worden: valt u samen met uw lichaam – of bent u nog iets meer of iets anders dan dat? Wie van de tweede optie overtuigd is, zal begrijpen dat de dood, net als het geboren worden, geen kwestie van een knop is die op ´uit´ of ´aan´ gezet wordt. Het uitblazen van de laatste adem is deel van een proces, het stervensproces, dat met het uitblazen van die laatste adem nog niet voltooid is. En ´hersendood´ is de mens zelfs nog vóórdat hij zijn laatste adem uitblaast.

We laten die vraag staan – ieder die dat wil vormt zijn eigen antwoord op die vraag en verbindt daar zijn zelfgekozen conclusies aan.

Daar de nieuwe wet bepaalt dat mijn organen na het moment dat door de medische wetenschap als het sterfmoment is uitgekozen, mogen worden ´uitgenomen´ – het geldt voor de uwe ook – is de wetgever kennelijk van mening dat mijn lichaam – net als het uwe – onder de beschikking van de staat valt op het moment dat de wetenschap zegt dat het overleden is. Alsof ik mijn lichaam – en u het uwe – in bruikleen van de staat heb.

Je kan toch laten registreren dat je géén donor wilt worden?
Ja dat kan.
Ondertussen vraag ik mij wel af hoe dat zit met grote groepen mensen die zich niet kunnen registreren als niet-donor. Ouderen zonder computer, mensen die niet kunnen lezen,  mensen die de taal niet voldoende machtig zijn, mensen die de grootst mogelijke moeite hebben welke officiële brief dan ook te begrijpen, mensen die er domweg geen idee van hebben dat deze wet straks in werking treedt, mensen die geen idee hebben dat deze wet ook over hen gaat.
Dat zijn er werkelijk wel een paar miljoen maar het aantal is niet van doorslaggevend belang. Al was het er maar één.

En daarnaast zijn er nog de mensen die geen idee hebben van de realiteit achter het ´hersendood-criterium´ en die mogelijk tot een andere beslissing zouden komen wanneer dat wel het geval zou zijn.

De overheersende gedachte die deze wet bij mij oproept, kan in drie varianten worden verwoord:
- Een wet die zonder expliciete toestemming van de betrokkene toestaat dat zijn organen worden uitgenomen, is uitdrukking van een volkomen verachting voor de integriteit van de mens.
- Wie dat wil, hij schenke, voor of nadat hij gestorven is, zijn organen aan een ander. Dat kan een daad van grote menselijkheid zijn. Maar wie meent het recht te hebben een ander, gestorven of niet, de organen te ontnemen zonder dat die ander daarin bewust en in vrijheid heeft toegestemd, begaat een misdaad.
- Het antwoord op de vraag ´wat is de mens?´ is een antwoord dat ieder van ons zelf formuleert: door dat wat hem hierover tot bewustzijn is gekomen en door dat waarmee hij zijn leven inhoud geeft. Het gaat niet aan dat een instantie van buiten (zoals de staat) op deze vraag een uniform en algemeen geldend antwoord geeft.
(John Hogervorst)